De opleiding tot redenaar
In de Romeinse Oudheid werd van een jongen uit een aanzienlijke familie met voldoende kapitaal verwacht dat hij streefde naar een politieke loopbaan, met als ultieme doel het consulschap. Vaardigheid in de kunst van het spreken als een noodzakelijke voorwaarde beschouwd om hierin te kunnen slagen, niet alleen om politieke standpunten te verdedigen of manschappen in een oorlog bemoedigend toe te kunnen spreken, maar voor een groot gedeelte ook om als patronus je clientenbasis in verschillende rechtszaken bij te kunnen staan. De vroegste Romeinse redenaren waren getraind in de Griekse traditie en konden al gebruik maken van verschillende Griekstalige handboeken om hun vaardigheid bij te schaven. Aan het begin van de eerste eeuw v. Chr. (dus in Cicero’s jeugd) ontstonden er ook Latijntalige scholen om jonge geesten te trainen in de welsprekendheid.
Om aan een dergelijke opleiding deel te nemen, moest een jongen zijn vooropleiding afgerond hebben. Bij de magister had hij leren lezen en schrijven, vervolgens bij de grammaticus werd er een brede basis aan kennis gelegd. Leerlingen moesten hier verschillende belangrijke literaire werken (niet alleen in het Latijn, maar ook in het Grieks), lezen, uit het hoofd leren en moeiteloos voordragen. Door middel van deze literatuur werd ook kennis gemaakt met onderwerpen zoals geschiedenis, aardrijkskunde en sterrenkunde.
Wanneer een jongen zijn opleiding bij de grammaticus afgerond had, kon hij met zijn daadwerkelijke opleiding in retorica beginnen. Gemiddeld waren jongens bij aanvang van deze studie vijftien jaar oud, op welke leeftijd zij hun toga praetextata nog droegen. Op zestien- of zeventienjarige leeftijd werd een Romeinse jongen als volwassene beschouwd. Om deze overgang te vieren, onderging hij dan een ceremonie waarbij hij zijn speelgoed, zijn bulla (een amulet dat kinderen droegen ter bescherming) en zijn eerste baardharen offerde aan de Lares en zijn toga praetextata verwisselde voor een toga virilis.
De opleiding werd gevolgd bij een rhetor en duurde drie tot vier jaar. De rhetor onderwees zijn leerlingen met verschillende schrijf- en spreekoefeningen in de vijf taken van de redenaar. De leerlingen werden stapsgewijs voorbereid om te goed kunnen spreken in de rechtbank, bij openbare gelegenheden en in politieke context.
We weten uit de keizertijd dat er op de opleiding begonnen werd met verschillende oefeningen ter voorbereiding op het serieuze werk. Zo moest een leerling bijvoorbeeld in eigen woorden een verhaal navertellen, ter plekke een spreekbeurt houden over een thema dat door de rhetor aangedragen werd of een analyse maken van een bestaande redevoering. Wanneer een leerling zich voldoende bewezen had, werd er langzaamaan overgegaan op steeds serieuzere redevoeringen. Een leerling moest in het begin van zijn opleiding bijvoorbeeld de rol van een personage (in denkbeeldige situaties of in mythologische verhalen) innemen en een bepaalde stelling verdedigen of aanvallen. Met welke woorden kun je Ariadne overhalen om je te helpen de Minotaurus te doden? Met wat voor redevoering zou je Achilles kunnen overhalen om weer deel te nemen aan de strijd? Later in de opleiding moest de leerling ook serieuze en actuele onderwerpen aankunnen, zoals het houden van lofredes op beroemde mannen of bekritiseren van slecht, en het prijzen of bekritiseren van wetten.
Naast of tijdens deze opleiding werd een toekomstige redenaar ook tijdens het tirocium fori (‘de leerschool van het Forum’, te vergelijken met een hedendaagse stage), door een mentor op sleeptouw genomen om kennis te maken met de praktijk. Onder begeleiding van een ervaren leermeester, zoals een advocaat of politicus, ging de jongen in zijn toga virilis naar het Forum om daar naar toespraken te luisteren, mee te maken hoe onderhandelingen in de wandelgangen gevoerd worden en om zijn netwerk uit te bereiden.
Cathalijne van Wettum
Discussie-vragen:
1. Als leerling in een retoricaschool kreeg je vaak opdracht om een hypothetische stelling te bepleiten. Stel je eens voor dat jij de opdracht zou krijgen om de aanklacht tegen Archias te schrijven. Deze rede is niet overgeleverd, maar zou de tekst hebben bevat waar Cicero in zijn Pro Archia op reageert.
a) Verzin een passende narratio voor deze aanklacht.
b) Verzin tenminste drie argumenten voor de argumentatio en overweeg in welke volgorde je deze presenteert.
c) Bedenk met welk taalgebruik en welke stijlmiddelen je de argumenten op gepaste wijze kracht bij kunt zetten (denk als een Romein: more is more).
d) Verzin een pakkend exordium, waarmee je gelijk de aandacht en sympathie van je publiek weet te vangen.
e) Verzin een knallende peroratio, met een sterke slotzin.
2. Het onderwijs van de oudheid had duidelijk een andere focus dan het onderwijs van nu. Welke voordelen had deze focus op retorica voor de leerlingen? Welke nadelen had dit? Denk jij dat het wenselijk zou zijn om in het Nederlandse onderwijs meer aandacht te hebben voor de vaardigheid om voor publiek te spreken? Waarom?