Patronus, cliens en amicitia

In het oude Rome was cliëntschap (clientela) een wijdverbreide sociale praktijk, die kan worden gedefinieerd als een morele band tussen twee personen met een verschillende sociale status. De relatie was gebaseerd op het begrip fides (trouw) en kreeg de vorm van een uitwisseling van diensten tussen een man met een hogere status (de patronus) en een ondergeschikte (de cliens). In ruil voor de voordelen en gunsten (beneficium) die hij van zijn patronus ontving, was de cliens hem dankbaarheid (gratia) verschuldigd.

De belangrijkste taak van de patronus was bescherming te bieden, vooral op materieel en juridisch gebied. Tijdens de Republiek was het gebruikelijk dat de patronus zijn clientes werk of kleine hoeveelheden voedsel (sportula) gaf wanneer zij zich in een moeilijke situatie bevonden. Tegen de tijd van het Principaat nam de sportula gewoonlijk de vorm aan van kleine financiële giften, die werden uitgedeeld tijdens het dagelijkse ritueel van de salutatio: iedere ochtend verzamelden de clientes zich in het atrium van het huis van hun patronus om hem hun respect te betuigen.

De patronus, die doorgaans beter was opgeleid, goed op de hoogte was van juridische zaken en over een grotere dignitas beschikte, werd ook geacht de rol van advocaat op zich te nemen en namens zijn clientes te spreken wanneer zij aan een rechtszaak moesten deelnemen. Hoewel de relatie tussen patronus en cliens niet het onderwerp was van een juridisch contract, werd deze wel door het recht erkend: twee personen die een cliëntschapsrelatie met elkaar hadden, mochten niet tegen elkaar getuigen.

De relatie tussen cliens en patronus was ook voordelig voor laatstgenoemde, omdat zijn sociale status werd versterkt door het aantal clientes dat hij om zich heen verzamelde. De clientes werden beschouwd als onderdeel van zijn gens en namen zijn naam (nomen) aan, ondanks het ontbreken van een bloedverwantschap. Ook moesten zij hem ondersteunen bij zijn politieke activiteiten door hem tijdens zijn campagnes in het openbaar te vergezellen (adsectio) en op hem te stemmen.

Het hebben van een grote clientela kon dus een groot politiek voordeel opleveren en vormde een middel waarmee patriciërs hun macht konden doen gelden. Aan het einde van de Republiek gold dit in het bijzonder voor de clientelae die door de imperatores waren opgebouwd, aangezien zegevierende generaals vaak de patroni werden van de gebieden die zij hadden veroverd.

Een relatie die gebaseerd was op wederzijdse verplichtingen kon ook bestaan tussen personen met een vergelijkbare sociale status. Omdat de status van cliens echter als vernederend werd beschouwd, gaven de Romeinen er de voorkeur aan om bij een dergelijke band te spreken van amicitia ('vriendschap'), vooral wanneer de twee betrokken mannen allebei tot de aristocratie behoorden.

Amicitia kon ook worden gebruikt om te verwijzen naar het netwerk dat Romeinen met een hogere status opbouwden met plaatselijke notabelen buiten Rome. Dat is precies het geval bij Archias en Lucius Licinius Lucullus. Lucullus zorgde ervoor dat Archias het Romeinse burgerrecht kreeg en daarmee de Romeinse naam Aulus Licinius Archias aannam.

Via Lucullus ontmoette Cicero Archias als kind. Archias werd zijn leraar en later zijn vriend. Deze amicitia tussen de drie mannen verklaart ook waarom Cicero de verdediging van Archias op zich nam toen deze ervan werd beschuldigd het Romeinse burgerrecht onrechtmatig te hebben verkregen.

Heloïse Bermond