Paragraaf 13
Qua re quis tandem me reprehendat, aut quis mihi iure suscenseat, si, quantum ceteris ad suas res obeundas, quantum ad festos dies ludorum celebrandos, quantum ad alias voluptates et ad ipsam requiem animi et corporis conceditur temporum, quantum alii tribuunt tempestivis conviviis, quantum denique alveolo, quantum pilae, tantum mihi egomet ad haec studia recolenda sumpsero? Atque id eo mihi concedendum est magis quod ex his studiis haec quoque crescit oratio et facultas quae, quantacumque est in me, numquam amicorum periculis defuit. Quae si cui levior videtur, illa quidem certe quae summa sunt ex quo fonte hauriam sentio.
Qua re quis tandem me reprehendat,
aut quis mihi iure suscenseat,
- si,
- quantum ceteris ad suas res obeundas, quantum ad festos dies ludorum celebrandos, quantum ad alias voluptates et ad ipsam requiem animi et corporis conceditur temporum,
- quantum alii tribuunt tempestivis-p conviviis, quantum denique alveolo, quantum pilae,
- tantum mihi egomet ad haec studia recolenda sumpsero?
Atque id eo mihi concedendum est magis
- quod ex his studiis haec quoque crescit oratio et facultas
- quae,
- quantacumque est in me,
- numquam amicorum periculis defuit.
- quae,
- Quae si cui levior videtur,
- quae summa sunt
- ex quo fonte hauriam
Wie zou mij daarom kunnen bekritiseren of op goede gronden mij een verwijt kunnen maken als ik de tijd die aan anderen wordt gegund om hun privézaken te behartigen, om feesten te vieren en spelen te bezoeken, voor andere genoegens en in het bijzonder voor geestelijke en lichamelijke ontspanning, de tijd die anderen besteden aan vroeg beginnende schranspartijen, aan gokken en sport, voor mijzelf reserveer om te kunnen studeren? En des te meer moet men mij dit vergunnen omdat deze studie ook tot resultaat leidt: mijn spreekvaardigheid die – van welk niveau zij ook moge zijn – zich nooit aan de gevaren van mijn vrienden heeft onttrokken, en als iemand die vaardigheid onbelangrijk acht: dat wat in elk geval het belangrijkste is, ik weet uit welke bron ik het put.
si conceditur: terwijl in de hoofdzin coniunctivi gebruikt worden (potentialis: reprehendat, suscenseat), staan in de si-bijzinnen indicativi (conceditur, tribuunt): wat Cicero hier opsomt, zijn reële tijdsbestedingen van zijn tijdgenoten, geen puur hypothetische bezigheden.
Verbind met conceditur.
Quantum leidt een betrekkelijke bijzin in en wordt vervolgens herhaald door tantum in de hoofdzin: 'zoveel als..., evenveel'.
Dit hoort bij quantum, 'zoveel van tijd': 'zoveel tijd'.
Hier heeft het voornaamwoord ipse een beperkende betekenis ('alleen uitrusten').
‘Vroeg beginnend’. Cicero suggereert hiermee dat deze gastmalen te vroeg beginnen en dat daardoor een deel van de dag verloren gaat.
Het achtervoegsel '-met' versterkt het persoonlijk voornaamwoord ego.
eo magis: 'des te meer'.
mihi concedendum est: uitdrukking van verplichting met gerundivum concedendum. De dativus mihi geeft hier niet de handelende persoon aan (een dativus van belang die aangeeft voor wie de verplichting geldt, zoals in de constructie illud mihi faciendum est, 'ik moet dat doen'), maar de ontvanger van de toegeving (gewone dativus van belang).
Het aanwijzende voornaamwoord verwijst terug naar de studies die in de vorige zin genoemd zijn.
haec oratio: hier verwijst het aanwijzend voornaamwoord naar de redevoering die Cicero op dit moment houdt.
crescit: het werkwoord staat in het enkelvoud omdat het vóór een eerste onderwerp in de enkelvoudige nominativus staat, maar het heeft betrekking op zowel oratio als facultas.
Dit is een onbepaald betrekkelijk voornaamwoord = 'hoe groot ook, van welke omvang dan ook'. Facultas is dus het antecedent van twee betrekkelijke bijzinnen: quae numquam defuit / quantacumque est in me.
Cui staat hier voor alicui (quis vervangt aliquis na si, nisi, ne, cum, num, dum).
Deze woordgroep hoort als object van haurio bij de indirecte vraag ex quo fonte...
'Betrekkelijk licht, weinig gewichtig’.
‘Het belangrijkste’.
Verbind hiermee de indirecte vraag (ex quo...).
Door middel van een a contrario-argument onderscheidt Cicero zijn verhouding tot studie (haec studia) van het otium van zijn medeburgers, die gericht zijn op genoegens (voluptates) die voor de stad nutteloos zijn.
Qua ... quis ... quos ... quantum: de sterke alliteratie van qu- die een zin inleidt benadrukt dat in deze zin de kern van Cicero’s betoog te vinden is.
Polyptoton van me en mihi dat de aandacht erop vestigt dat Cicero (net zoals in §12) wederom zijn eigen ethos gebruikt en dat sterk afzet tegen dat van zijn medeburgers. Niet meer Archias, maar Cicero staat in de focus van de argumentatie! Anders dan alle anderen beweert hij op hyperbolische wijze een gepassioneerd lezer te zijn. Dit is enigszins provocerend: Cicero presenteert zich als de eenzame held van de schone letteren, veracht door gewone mensen.
Accumulatie (congeries) en parallellie van constructie door de herhaling van quantum. Deze is onderverdeeld in twee tricola (de eerste met quantum + ad..., de tweede met quantum + dativus).
Daarnaast is er een contrast tussen quantum ceteris en tantum mihi egomet.
Hyperbaton van temporum, dat helemaal naar het einde van het eerste quantum-tricolon wordt verplaatst, om de zin een sterke spanning te geven.
De parallelle grammaticale constructie van deze woordgroep met ... ad festos dies ludorum celebrandos - ad haec studia recolenda benadrukt de vergelijking tussen de tijdsbesteding van anderen en die van Cicero.
Bord- en balspelen werden in retorische context gebruikt om een tegenstander te stigmatiseren als moreel zwak. Het tweede quantum-tricolon benoemt zaken die afkeurenswaardig zijn: te vroeg aan tafel gaan, gokken en bal spelen in plaats van zich met waardige dingen bezig te houden.
De coördinatie tussen de twee onderwerpen kan worden opgevat als een hendiadys: oratio et facultas = facultas orationem dicendi: het vermogen om een redevoering te houden.
Cicero drukt bescheidenheid uit in de vorm van een captatio benevolentiae a nostra persona (zoals in §1).
De strekking van deze zin is: wie zou er kritiek op mij kunnen hebben als ik de tijd die anderen besteden aan sociale activiteiten, besteed aan het ontwikkelen van mezelf?
In de opsomming van sociale activiteiten behandelt het eerste tricolon zaken (res obeundas), openbare feesten (festos dies) en privégenoegens (voluptates). Het tweede is gewijd aan vrijetijdsbestedingen: privéfeesten (convivium), spelletjes (alveolum, verwijzend naar bordspellen) en lichaamsbeweging (pila, balspelen).
Convivia waren in Rome (net zoals de symposia in Griekenland) een gebruikelijke avondbesteding van de rijke upper class. Men zat met vrienden bijeen, at, luisterde naar muziek of gedichten, en besprak literaire of filosofische thema's. Maar men kon op deze manier uiteraard ook politieke netwerken onderhouden.
Met dobbelstenen werd door alle sociale klassen gespeeld en ze zijn vaak afgebeeld op antieke schilderingen of mozaïeken. Het kan gaan over gokken of over bordspelletjes, zoals afgebeeld in bijvoorbeeld Bordspellen | Pro Archia. Ook in de Basilica Julia op het Forum Romanum bevindt zich een in de vloer gekrast bordspel, wat laat zien hoe populair dobbelen was.
In het Latijn verwijst Cicero specifiek naar balspelen, die bij alle Romeinen even populair waren. Men kende meerdere spelvormen (op de grond, tegen een muur, in de lucht, enz.); ze werden zowel privé als in openbare ruimtes zoals badhuizen gespeeld. Antieke afbeeldingen geven ons een beeld van de houdingen en attitudes van de spelers, zoals balspellen | Pro Archia.
Cicero suggereert dat hij de studie hervat (ad haec studia recolenda) die hij al in zijn jeugd was begonnen: de implicatie is dat hij deze nooit heeft opgegeven.
Het argument dat poëzie en literaire cultuur essentiële voeding vormen voor de ontwikkeling van oratorische vaardigheden, is opvallend en verrassend voor het publiek. Zelfs retoricascholen waren pas kort daarvoor in Rome opgericht; nog maar 10 jaar vóór deze redevoering zouden de meeste Romeinen gedacht hebben dat succesvolle welsprekendheid gebaseerd was op het gezag van de spreker en zijn beheersing van het onderwerp waarover hij sprak.
Cicero wijst opnieuw op zijn inzet als patronus (vgl. §12), a nullius tempore.