De vijf taken van de redenaar
1. Inventio: de vinding
De inventio houdt in dat de redenaar gaat bedenken wat hij precies wil gaan zeggen. In een rede wil je het publiek ergens van overtuigen en daarvoor zijn argumenten nodig. Een redenaar heeft een flink aantal standaardargumentaties in zijn arsenaal, maar moet deze kunnen aanpassen aan de situatie en ook zelf nieuw materiaal kunnen produceren. In de oudheid speelde ‘waarschijnlijkheid’ een grote rol in argumentaties. Niet alles kan altijd met fysiek bewijs ondersteund worden, maar door zo goed mogelijk uit te leggen waarom een bepaald standpunt het meest aannemelijk is, kun je het publiek toch overtuigen van jouw gelijk. In de oudheid werd onderscheiden dat een verweerder in een juridisch proces vier verschillende manieren (statussen) had om een verdediging op te stellen. Er kon in twijfel getrokken worden (1) of de daad überhaupt plaatsgevonden had, (2) of de daad voldoet aan de definitie van het vermeende feit (3) of de daad gezien de omstandigheden strafbaar was en (4) of de aangestelde rechtbank en rechters competent en geschikt waren om in deze zaak een oordeel te vellen. Een getrainde redenaar had beschikking tot een scala aan verschillende argumenten en argumentaties, die per status ingezet konden worden, zowel ter verdediging als ten aanval. Daarnaast moet er rekening gehouden worden met verschillende bewijzen die aangevoerd kunnen worden door de redenaar zelf, of door de tegenpartij, zeker in een juridische context. Van een jurist wordt verwacht dat hij getuigen kon ondervragen en documenten in zijn rede kon aanhalen.
Onder de inventio vallen ook het opstellen van een exordium en van de peroratio, en het inzetten van ethos, pathos en humor.
2. Dispositio: de ordening
Wanneer alle argumenten verzameld zijn, moeten deze op logische, heldere en effectieve wijze geordend worden. Zeker wanneer er meerdere argumenten zijn, of de argumenten in verschillende categorieën vallen, moet er overwogen worden welke als eerste aangedragen worden en welke pas later. Een populaire stelregel hiervoor, die Cicero zelf ook noemt in zijn De oratore, is om te beginnen en te eindigen met de krachtigste argumenten en om de zwakkere daartussen te plaatsen. Zo zorg je ervoor dat de rechter of het publiek na een krachtige opening blijft luisteren, en aan het einde van de rede wordt gestimuleerd om het standpunt van de redenaar gunstig te beoordelen.
3. Elocutio: de verwoording
Om de overtuigingskracht van de boodschap te vergroten, moet deze op passende en effectieve wijze worden vormgegeven. Een eerste eis is dat de tekst in foutloos Latijn ten gehore gebracht wordt. Daarnaast is het belangrijk dat de boodschap helder is en het taalgebruik passend is bij de spreker en de situatie. Tenslotte kan een redenaar door middel van woordplaatsing en woordspel verschillende onderdelen van zijn tekst benadrukken, versterken of afzwakken. Door zijn zinsopbouw, woordkeuze, het gebruik van stijlmiddelen en zelfs aandacht voor klankeffecten en ritmische patronen kan een redenaar zijn boodschap kracht bijzetten. (linkje naar essay stijlfiguren)
4. Memoria: geheugentraining
Een Romeinse redenaar werd geacht zijn redevoeringen uit het hoofd voor te dragen. Een rhetor bood zijn leerlingen technieken aan om zich de mnemotechniek (ook wel ‘geheugenkunst’) eigen te maken. Een van de technieken die beschreven worden is om verschillende onderdelen van de redevoering in sprekende beelden om te zetten en deze beelden vervolgens te koppelen aan zaken in een bepaalde omgeving. Zo kun je bijvoorbeeld een groot huis voor ogen stellen met in de verschillende vertrekken allerlei zaken die verband houden met je redevoering. Denk hierbij bijvoorbeeld aan een roeiriem in het vestibulum, als er in de opening van de rede iets vertelt moet worden over een schip. Wanneer je tijdens het houden van de rede in gedachte door dit huis wandelt, kom je zo deze voorwerpen één voor één tegen, waarbij je steeds herinnerd wordt aan de verschillende onderwerpen van je rede.
5. Actio / Pronuntiatio: de voordracht
Een rede valt of staat met de voordracht, en dit onderdeel was dan ook van groot belang in de opleiding tot redenaar. Onder actio/pronuntiatio vallen verschillende onderwerpen zoals het stemgebruik (toon, tempo, volume), lichaamstaal, het gebruik van handgebaren en gezichtsuitdrukkingen, maar ook de persoonlijke uitstraling van de redenaar. In handboeken over retorica staan bijvoorbeeld voorschriften voor kleding, persoonlijke verzorging en het dragen van sieraden.
Cathalijne van Wettum
Discussie-vragen:
1. In de hedendaagse debat-wereld werkt men met standaardgeschilpunten. Deze punten komen voort uit de argumentatieleer van verschillende retorici uit de oudheid. Zoek zelf meer op over wat deze ‘standaardgeschilpunten’ inhouden. Bedenk een stelling en kijk hoe je aan de hand van deze standaardgeschilpunten zowel een verdediging als een aanval op je stelling kunt formuleren.
2. Door de invloed van (de beschikbaarheid van) het geschreven woord, heeft mnemotechniek aan populariteit ondergedaan. Toch zijn er nog verschillende manieren waarop dit ook vandaag de dag nog een rol speelt. Op welke momenten is het belangrijk dat je zaken uit het hoofd kent? Welke verschillende manieren om je geheugen te trainen ken je al? Doe zelf onderzoek naar modernere mnemotechnieken en probeer ze eens uit! Welke manier werkt het beste voor jou?