Paragraaf 29
Certe, si nihil animus praesentiret in posterum, et si, quibus regionibus vitae spatium circumscriptum est, isdem omnis cogitationes terminaret suas, nec tantis se laboribus frangeret neque tot curis vigiliisque angeretur nec totiens de ipsa vita dimicaret. Nunc insidet quaedam in optimo quoque virtus, quae noctes ac dies animum gloriae stimulis concitat atque admonet non cum vitae tempore esse dimittendam commemorationem nominis nostri, sed cum omni posteritate adaequandam.
- Certe, si nihil animus praesentiret in posterum,
- et si,
- isdem omnis cogitationes terminaret suas,
nec tantis se laboribus frangeret
neque tot curis vigiliisque angeretur
nec totiens de ipsa vita dimicaret.
Nunc insidet quaedam in optimo quoque virtus,
- quae noctes ac dies animum gloriae stimulis concitat atque admonet
- non cum vitae tempore esse dimittendam commemorationem nominis nostri,
- sed cum omni posteritate adaequandam.
Als men zich geen voorstelling zou maken van de toekomst en zijn gedachten zou beperken tot de grenzen waarbinnen het tijdperk van ons leven is afgebakend, dan zou men zich toch niet geestelijk afbeulen door zovele inspanningen, zich geestelijk toch niet door zovele zorgen en slapeloosheid laten beklemmen noch zo dikwijls omwille van het leven zelf de strijd aangaan? In werkelijkheid schuilt er juist in de beste mensen een soort dadendrang die dag en nacht ons hart met de prikkel van de roem aandrijft en vermaant dat niet tegelijk met de tijd van leven de nagedachtenis aan onze naam mag worden prijsgegeven maar over de gehele toekomst moet worden uitgestrekt.
Onderwerp van praesentiret en terminaret (bijzin) en frangeret, angeretur, en dimicaret (hoofdzin).
‘Een voorgevoel hebben/vooruitkijken’.
‘Naar de toekomst’.
'De tijdspanne waarbinnen de levensduur wordt begrensd'; een eenvoudigere woordvolgorde zou zijn: si (animus) omnis cogitationes terminaret suas, isdem regionibus, quibus vitae spatium circumscriptum est ...
= omnes (-īs = alternatieve vorm voor de acc pl uitgang in de derde declinatie, met een lange i).
Hoort bij cogitationes. Dat het hier na het werkwoord staat, heeft ritmische redenen (zo ontstaat een mooie metrische afsluiting van de zin, een dubbele creticus, zie essay clausulae).
Na de dubbele bijzin van de irrealis (si … et si), begint met nec de hoofdzin ‘dan niet’.
‘Maar zoals het is’. Er wordt een tegenstelling gemarkeerd met de irrealis.
Ablativus enkelvoud mannelijk van quisque.
Accusativus temporis / van uitgebreidheid.
A.c.i. afhankelijk van admonet.
dimittendam: ‘opgeven/een eind vinden’; andere handschriften van de tekst hebben hier een ander werkwoord staan, namelijk dimetiendam (‘afwegen’), wat ook een goede zin oplever.
Cicero herhaalt meer of min wat hij in de vorige paragraaf heeft gezegd, maar nu in de vorm van een irrealis.
nec tantis...neque tot...nec totiens: tricolon met anafoor en variatie van het tweede woord, die alle de t-alliteratie hebben en tot dezelfde woordgroep behoren (pronomina correlativa). De nadruk wordt gelegd omdat Cicero, net als in de vorige paragraaf, herinnert aan zijn optreden tegen Catilina (zie essay zelfrepresentatie).
posterum – posteritate: een woordcluster (etymologische afleiding) dat deze paragraaf een sterke samenhang geeft (bijna een ringcompositie) en dat benadrukt hoe belangrijk het concept van roem bij het nageslacht was voor Cicero en de Romeinse cultuur in het algemeen.
Regio verwijst normaliter naar een echte plaats, maar wordt hier gebruikt met betrekking tot tijd. Dit is een bijna poëtische metafoor (bedenk dat Cicero aan het begin aankondigt dat hij een ongewoon soort rede zal houden; zie §3).
De gedachten worden hier tegenover de vitae spatium gesteld. De tijd om te leven is eindig, maar Cicero’s gedachten zijn dat niet (ze kunnen voortleven door literatuur en gepubliceerde redevoeringen). Anders zou hij roem niet zo vurig nastreven.
De woordvolgorde laat zien hoe de deugd elk goed mens omgeeft.
Een syntactisch parallellisme met het voorafgaande non cum vitae tempore en tegenstelde inhoud.
Nunc...adaequandam: de tweede helft van §29 is de premisse maior van een syllogisme dat in §30 wordt voortgezet met de premisse minor ‘als vooraanstaande mannen sporen van hun daden hebben nagelaten in de vorm van standbeelden enz.’ en de conclusie ‘dan moeten ook wij een spoor van onze daden nalaten in de hogere vorm van kunst, literatuur’.
Zie §28 voor het belang van deze term in Cicero’s zelfrepresentatie (en zie essay zelfrepresentatie).
Het waken (vigiliae) verwijst oorspronkelijk naar de nachtwaken in een legerkamp. In de Catilinarische redevoeringen presenteerde Cicero zichzelf voortdurend als de waakzame (vigilans) consul die ook ’s nachts op wacht staat; zie ook verderop in deze paragraaf noctes ac dies.
Cicero probeert, in de periode na zijn consulaat, het begrip optimates en populares te herdefiniëren tot moreel ‘goede mensen’ en moreel ‘slechte mensen.’ Hij koppelt dit niet langer aan afkomst, maar aan het begrip virtus, hier vertaald met dadendrang.
Suggereert dat het zelfstandig naamwoord virtus, hier vertaald met dadendrang hier op een semantisch ongebruikelijke manier wordt gebruikt; Cicero verbindt het traditionele Romeinse streven naar roem met een ethisch begrip afkomstig uit de stoïcijnse filosofie.
Zie §28 voor dit begrip.
Het beeld is ontleend aan de paardenrennen – het verlangen naar roem spoort de staatsman aan tot prestaties, zoals het paard wordt aangespoord door de spoor; het meervoud suggereert een voortdurend aansporen.
Romeinen hechtten er sterk aan om na hun dood herinnerd te worden. Belangrijke families bewaarden wassen maskers van voorouders in hun atrium; standbeelden en honoraire inscripties voor overleden helden uit het verleden waren alomtegenwoordig in de steden. In Cicero’s tijd deden belangrijke politici steeds vaker een beroep op literaire werken die zij lieten vervaardigen om hun naam te vereeuwigen.