Cicero’s zelfrepresentatie in 62 v.Chr.
In 63 v.Chr. leken Cicero’s dromen werkelijkheid te zijn geworden. Als homo novus (een politicus zonder familieleden die eerder Romeins senator waren geweest) was hij tot consul gekozen – en zelfs in het eerste mogelijke jaar (suo anno), op 43-jarige leeftijd. De eerste helft van zijn consulaatsjaar verliep relatief rustig. Maar aan het einde van de zomer van 63 bereikte de spanning tussen Cicero en Lucius Sergius Catilina, een mede-senator die de consulsverkiezingen had verloren en daarom probeerde de steun van de plebejische massa te winnen voor een sociale opstand, haar hoogtepunt. Ook onder de senatoren nam zijn populariteit toe. Als gevolg daarvan lijkt Catilina een moordenaar naar Cicero’s huis te hebben gestuurd en de verkiezingen voor het volgende jaar te hebben proberen te verhinderen.
De daaropvolgende maanden zagen Cicero op het hoogtepunt van zijn energie en welsprekendheidstalent: in november en december hield hij vier redevoeringen tegen Catilina. Al na de eerste redevoering verliet Catilina de stad, en Cicero slaagde erin de revolte te onderdrukken door verschillende samenzweerders te arresteren en te laten doden. Hij presenteerde zijn succes als iets dat even belangrijk was als een militaire overwinning, en zijn eigen rol als die van een dux togatus (een militaire leider in burgerkleding). Volgens Cicero had hij immers niets minder gedaan dan de politieke instellingen van Rome voor vernietiging behoeden en de inwoners ervan voor een slachting redden (een opvatting die tegenwoordig door weinig historici wordt gedeeld: de beweging van Catilina was waarschijnlijk veel minder gevaarlijk dan Cicero ons wil doen geloven). Patriam servare en salus rei publicae waren typische termen die hij gebruikte om zijn prestaties te typeren: ´het vaderland redden´ en ´het welzijn/de veiligheid van de staat´.
Als beloning voor zijn moedige optreden hoopte Cicero op een blijvende herinnering in het collectieve geheugen van alle Romeinen. Dit zou hem hebben veranderd in een vooraanstaand staatsman met de grootst mogelijke reputatie en invloed op politieke debatten.
Toch was de werkelijkheid minder gunstig. Cicero werd tijdens een bijeenkomst van de Senaat uitgeroepen tot pater patriae (´vader des vaderlands´) en ontving een dankviering. Maar onmiddellijk na zijn aftreden op 31 december 63 kwamen er critici die Cicero ervan beschuldigden tegen de wetten in te hebben gehandeld door de samenzweerders zonder een formeel proces te laten doden, en dat hij zich meer als een monarch dan als een consul had gedragen. Deze kritiek was verwoestend, omdat zij een existentiële bedreiging vormde voor Cicero’s belangrijkste politieke wapen: zijn publieke reputatie.
Hoe gevaarlijk deze kritiek was, werd duidelijk in 58, toen de volkstribuun Clodius een wet uitvaardigde die Cicero dwong om achttien maanden vrijwillig in ballingschap te gaan. Al in 62 reageerde Cicero daarom op de kritiek met een grootschalige campagne van zelfpropaganda. In de jaren na zijn consulaat publiceerde hij de twaalf meest succesvolle redevoeringen die hij als consul had gehouden, en schreef hij autobiografische aantekeningen (commentarii) en een episch gedicht (De consulatu suo) over de affaire rond Catilina. Daarnaast drong hij er (zonder succes) bij anderen op aan om over zijn daden te schrijven. Zo hoopte hij onder anderen dat Archias een Grieks gedicht ter ere van hem zou schrijven. Ten derde gebruikte hij vrijwel alle redevoeringen die hij in de jaren na zijn consulaat hield om de Romeinen eraan te herinneren dat hij hun redder was. Ook de Pro Archia, een van de eerste redevoeringen uit 62 v.Chr., kan worden gelezen als onderdeel van deze zelfconstructie als politieke en culturele held.
De beschouwingen over gloria (in de betekenis van roem bij latere generaties) en over de rol van literatuur bij het bewaren van de herinnering aan voorbeeldige daden van mensen uit het verleden, moeten worden gelezen als reflecties op Cicero’s voortdurende strijd om zijn reputatie te verdedigen en de aanvallen van zijn vijanden het hoofd te bieden.
Christoph Pieper
Verdere literatuur
-
Blom, H. van der, ‘The Alternative Story: Contemporary Invective Responses to Cicero’, in P. Geitner, D. Pausch, C. Schwameis & R. Wierzcholowski (red.), Ciceronian Invectives. Emotions, Configurations, and Reactions, Tübingen 2025, 125–179.
- Levick, B., Catiline, Londen 2015 (met name pp. 87–108: ‘The Aftermath of Catiline: Cicero’s Struggle to Survive’).
- Pieper, C., ‘Memoria saeptus. Cicero and the Mastery of Memory in his (Post-)Consular Speeches’, Symbolae Osloenses 88 (2014), 42–69.
Discussievragen
-
Stel een lijst samen van passages in de redevoering waarin Cicero direct of indirect over zichzelf spreekt. Welk beeld ontstaat daaruit?
- We weten dat Cicero zijn herinneringen in het Grieks schreef en dat ook Archias een Grieks gedicht over hem zou hebben geschreven. Waarom vond Cicero het belangrijk om ook in het Grieks geprezen te worden?
- Herken je Cicero’s strategie om zijn eigen positie in toekomstige geschiedenisboeken veilig te stellen ook bij moderne politici? Zo ja, welke middelen gebruiken zij daarvoor?