Paragraaf 9
An domicilium Romae non habuit is qui tot annis ante civitatem datam sedem omnium rerum ac fortunarum suarum Romae conlocavit? An non est professus? Immo vero eis tabulis professus quae solae ex illa professione conlegioque praetorum obtinent publicarum tabularum auctoritatem. Nam, cum Appi tabulae neglegentius adservatae dicerentur, Gabini, quam diu incolumis fuit, levitas, post damnationem calamitas omnem tabularum fidem resignasset, Metellus, homo sanctissimus modestissimusque omnium, tanta diligentia fuit ut ad L. Lentulum praetorem et ad iudices venerit et unius nominis litura se commotum esse dixerit. His igitur in tabulis nullam lituram in nomine A. Licini videtis.
An domicilium Romae non habuit is
- qui tot annis ante civitatem datam sedem omnium rerum ac fortunarum suarum Romae conlocavit?
An non est professus?
Immo vero eis tabulis professus
- quae solae ex illa professione conlegioque praetorum obtinent publicarum tabularum auctoritatem.
- Nam, cum Appi tabulae neglegentius adservatae dicerentur,
- Gabini,
- quam diu incolumis fuit,
- levitas, post damnationem calamitas omnem tabularum fidem resignasset,
Metellus, homo sanctissimus modestissimusque omnium, tanta diligentia fuit
- ut ad L. Lentulum praetorem et ad iudices venerit
- et unius nominis litura se commotum esse dixerit.
His igitur in tabulis nullam lituram in nomine A. Licini videtis.
Heeft hij soms geen domicilie in Rome gehad, een man die zovele jaren vóór de verlening van het burgerrecht Rome als vestigingsplaats heeft verkozen van al zijn have en goed? Heeft hij zich soms niet aangemeld? Integendeel, hij staat aangemeld in de registers die als enige op het punt van aanmelding bij het praetorencollege het gezag van officiĆ«le registers bezitten. Want toen, naar verluidt, de registers van Appius ietwat al te slordig waren bijgehouden en de nonchalance van Gabinius – zolang zijn positie nog onaangetast was – en het échec na zijn veroordeling iedere betrouwbaarheid van de registers hadden vernietigd, is Metellus, een zeer scrupuleus en gewetensvol man, zo nauwgezet geweest dat hij zich bij de praetor Lucius Lentulus en de rechtbank vervoegd heeft en zijn verontrusting heeft uitgesproken over het doorgeschrapt zijn van één naam. Welnu, in deze registers vindt u de naam van Aulus Licinius niet doorgeschrapt!
Locativus (zie §8 bij Heracleae).
Dominant gebruikt participium, d.w.z., dat het participium grammaticaal van civitatem afhangt, maar inhoudelijk het hoofd van deze woordgroep is en dus niet weglaatbaar (‘voorafgaand aan het geven van het burgerrecht’).
I.p.v. het veel vaker voorkomende hic voor een verwijzing naar Archias hier gebruikt wegens de standaardverbinding is, qui.
Hendiadys (waarbij zowel het materiële bezit als het immateriële vermogen bedoeld is), ‘je gehele hebben en houden’.
Hier ‘niet veroordeeld’, ‘nog onschuldig’.
‘Reputatieverlies’ (na een veroordeling).
Hier ‘vertrouwen beschadigen’.
Sanctus betekent in klassiek Latijn niet ‘heilig’, maar ‘betrouwbaar’, ‘plichtsgetrouw’ t.o.v. een officiële (ambts)taak.
Ablativus qualitatis in een naamwoordelijk gezegde.
Litura is het uitkrassen van een woord in een handgeschreven document.
Cicero herhaalt de woorden professus en tabulae om zijn argument (dat niet op objectief bewijs berust) sterker over te laten komen. Herhaling grift deze woorden dieper in het geheugen van de toehoorders.
Deze combinatie van partikels is typisch voor een reactie op een ontkennende vraag, waarbij stellig wordt bevestigd dat iets ‘zeker wel’ het geval is/was.
Het woord benadrukt extreme betrouwbaarheid van Metellus. Het is daarmee inhoudelijk nauw verwant aan pius – en dat was het officiële cognomen van Metellus (zie inhoud). Samen met de tweede superlativus modestissimus geeft het aan dat men hem (anders dan zijn collega’s) volledig kan vertrouwen.
Appi – Gabini vs. Metellus – Lentulum: Appius, Gabinius en Metellus waren tegelijk praetor in 89 v. Chr. toen Archias zich als Romeins burger wilde registreren. Lentulus had, ook als praetor, de taak de registers van collega-praetoren op betrouwbaarheid te controleren. Cicero geeft toe, mogelijk in reactie op de aanklager, dat de administratie van praetoren niet altijd betrouwbaar was en creëert een tegenstelling tussen enerzijds de onbetrouwbare registers van Appius en Gabinius en anderzijds de zeer betrouwbare (sanctissimus) Metellus.
Een tegenstelling met Appius’ neglegentia (allebei de woorden zijn van dezelfde woordstam, namelijk (lego = kiezen, selecteren) afgeleid.
Dat Metellus wordt geraakt door een klein foutje versterkt de indruk van Metellus’ plichtbesef en is daarmee een vorm van ethos-argumentatie (zie essay logos-ethos-pathos).
Het is opvallend dat Cicero hier ‘zien’ gebruikt; dit voegt een visuele dimensie toe aan zijn argumentatie: het bewijsstuk zal er waarschijnlijk getoond zijn (en met his tabulis kon ernaar gewezen worden).
Met deze alinea stapt Cicero over naar het tweede aspect van de wet Lex Plautia Papiria. Nadat hij in §8 Archias’ situatie in Heraclea besproken heeft gaat hij nu in op Archias’ verblijf in Rome. Ook voor dit onderdeel van zijn argumentatie heeft Cicero geen bewijs behalve de (zwaarwegende) getuigenverklaring van Metellus.
(Zie §7). Het was onderdeel van de burgerschapswet dat mensen zoals Archias naast het burgerschap in een Italische stad ook een ‘vast adres’ in Rome moesten hebben om voor het Romeinse burgerrecht in aanmerking te komen.
Het zelfstandig naamwoord voor aanmelding, professio, is afgeleid van profiteri. Hier de officiële verklaring van de praetoren dat een toevoeging in de tabulae die door een individu aangevraagd is (ook hiervoor wordt profiteri gebruikt), rechtsgeldig is. Cicero benadrukt dat het hele collegium van de praetoren dit moet doen, dus dat niet een praetor kan sjoemelen, omdat hij misschien omgekocht is.
Door de bekrachtiging van officiële ambtsdragers wordt het document legaal en daarmee algemeen geldig. Cicero laat zien dat Archias de enige juridisch juiste weg heeft bewandeld door zijn Romeinse verblijfplaats bij de praetoren aan te geven.
Appius, Gabinius, Metellus en Lentulus waren alle vier praetoren, waarschijnlijk zelfs allemaal in hetzelfde jaar 89 v.Chr., maar dat is niet helemaal duidelijk.
Appius Claudius Pulcher was de vader van Cicero’s latere aartsvijand Clodius. Cicero verwijt hem van lakse omgang met de officiële documenten.
Publius Gabinius Capito werd in de jaren 70 wegens afpersing van de provincie Achaea veroordeeld. Volgens Cicero hebben zijn lichtzinnigheid en later misdaad ervoor gezorgd dat het vertrouwen in publieke documenten beschadigd was.
Quintus Caecilius Metellus Pius, een belangrijke generaal en politicus. Hij overleed in 63, een jaar voor het procres tegen Archias, en kan daarom niet meer als getuige optreden.
Lucius Cornelius Lentulus.
Dit betreft een lastig, want erg indirect argument. Blijkbaar was er in de tabulae van de praetoren een naam achteraf doorgestreept en dus de documentatie vervalst. Als Metellus dat heeft opgemerkt en verder geen aanleiding heeft gezien de registers verdacht te vinden, dan concludeert Cicero dat in het deel waarin Archias’ naam stond, niet achteraf namen waren toegevoegd of weggehaald.