Paragraaf 27
Decimus quidem Brutus, summus vir et imperator, Acci, amicissimi sui, carminibus templorum ac monumentorum aditus exornavit suorum. Iam vero ille qui cum Aetolis Ennio comite bellavit Fulvius non dubitavit Martis manubias Musis consecrare. Qua re, in qua urbe imperatores prope armati poetarum nomen et Musarum delubra coluerunt, in ea non debent togati iudices a Musarum honore et a poetarum salute abhorrere.
Decimus quidem Brutus, summus vir et imperator, Acci, amicissimi sui, carminibus templorum ac monumentorum aditus exornavit suorum.
Iam vero ille
- qui cum Aetolis Ennio comite bellavit
Fulvius non dubitavit
- Martis manubias Musis consecrare.
- Qua re, in qua urbe imperatores prope armati poetarum nomen et Musarum delubra coluerunt,
in ea non debent togati iudices a Musarum honore et a poetarum salute abhorrere.
Decimus Brutus, een zeer hoogstaand man en legeraanvoerder, heeft de toegangen tot zijn tempels en herinneringsmonumenten versierd met versregels van zijn grote vriend Accius. En de man die – met Ennius in zijn gevolg – tegen de Aetoliërs heeft oorlog gevoerd, aarzelde niet om de wapenbuit van de wapengod aan de Muzen te wijden. Daarom moeten in een stad waar de bijna nog gewapende legeraanvoerders de naam van dichters en de heiligdommen van de Muzen hebben gerespecteerd, juryleden in toga niet terugschrikken om de Muzen te eren en dichters te beschermen.
De ablativus geeft aan waarmee Brutus de templorum ac monmentorum aditus (acc) versierde.
Dit is weer een voorbeeld van ille in de betekenis ‘de beroemde’.
Een ablativus absolutus zonder participium.
'Goede naam/roem’.
= in ea urbe.
‘Juridische veiligheid’.
De nadruk op de hechte vriendschap tussen Accius en zijn beschermheer Brutus past bij Cicero’s betoog over het hoge aanzien van dichters in de Romeinse geschiedenis.
De eigenlijke naam wordt pas laat genoemd, omdat Cicero ervan uitgaat dat iedereen Fulvius zal herkennen vanwege zijn bescherming van de beroemde dichter Ennius.
De sterke alliteratie benadrukt de ongehoorde nieuwigheid van het opdragen van oorlogsbuit aan de Muzen.
In de laatste zin worden deze twee woorden in chiastische volgorde herhaald; poetarum krijgt daardoor de sterkste nadruk (omdat het als eerste én als laatste wordt genoemd).
Dit woord is, net als togati bij iudices, strikt genomen niet noodzakelijk, aangezien duidelijk is dat imperator een functie in oorlogstijd is, terwijl rechter een civiele functie is. Cicero voegt deze woorden toe omdat hij zijn publiek eraan wil herinneren dat dichters zowel in oorlog als in vrede belangrijk werden geacht. Bovendien roept het woord togati bij het publiek de uitdrukking dux togatus in herinnering, die Cicero tijdens de Catilinarische samenzwering voor zichzelf gebruikte (zie het essay over Cicero’s zelfrepresentatie).
Decimus Iunius Brutus Callaicus (consul in 138 v.Chr.) vierde in 137 v.Chr. een triomf voor verscheidene overwinningen in Hispania. Hij was de beschermheer van Accius.
Deze uitdrukking (summus vir) kan gebruikt worden als quasi-technische term voor een man die voorbeeldige daden heeft verricht (zie ook §15, 18 en 30).
L. Accius (170-86 v.Chr.) was een succesvol toneelschrijver en episch dichter. In navolging van Ennius schreef hij eveneens een historisch epos getiteld Annales. Geen van zijn werken is volledig tot ons overgeleverd. Het enorme standbeeld van hemzelf voor de Tempel van Hercules en de Muzen werd door sommige tijdgenoten bekritiseerd als een vorm van hybris.
In de 2e eeuw v.Chr. werd het steeds gebruikelijker dat triomferende veldheren nieuwe tempels of andere heiligdommen in Rome oprichtten ter herinnering aan hun overwinning. De drie tempels aan het Largo di Torre Argentina in Rome zijn de best bewaarde republikeinse voorbeelden van dergelijke monimenta.
M. Fulvius Nobilior (consul in 189 v.Chr.) was een beroemde veldheer die in 189 v.Chr. de Macedonische stad Ambracia veroverde. Het gevolg hiervan was dat de macht van de Aetolische Bond, die zich verzette tegen de Romeinse militaire aanwezigheid in het oosten, werd gebroken. Hij was tevens een vermaard beschermheer van de literatuur en verzamelaar van Griekse kunstwerken.
Q. Ennius (239-169 v.Chr.): was de beroemdste epische dichter van Rome vóór Vergilius; in Cicero’s tijd lazen Romeinse schoolkinderen zijn Annales (een historisch epos dat liep van de val van Troje tot zijn eigen tijd) op school. Vandaag de dag beschikken we alleen nog over (omvangrijke) fragmenten van Ennius’ werk.
Romeinse veldheren droegen oorlogsbuit op aan tempels die zij hadden laten oprichten. De Tempel van Hercules en de Muzen werd door Fulvius opgedragen ter gelegenheid van zijn triomf in 187 v.Chr.