Paragraaf 30
An vero tam parvi animi videamur esse omnes qui in re publica atque in his vitae periculis laboribusque versamur ut, cum usque ad extremum spatium nullum tranquillum atque otiosum spiritum duxerimus, nobiscum simul moritura omnia arbitremur? An statuas et imagines, non animorum simulacra, sed corporum, studiose multi summi homines reliquerunt; consiliorum relinquere ac virtutum nostrarum effigiem nonne multo malle debemus summis ingeniis expressam et politam? Ego vero omnia quae gerebam iam tum in gerendo spargere me ac disseminare arbitrabar in orbis terrae memoriam sempiternam. Haec vero sive a meo sensu post mortem afutura est, sive, ut sapientissimi homines putaverunt, ad aliquam animi mei partem pertinebit, nunc quidem certe cogitatione quadam speque delector.
An vero tam parvi animi videamur esse omnes
- qui in re publica atque in his vitae periculis laboribusque versamur
- ut,
- cum usque ad extremum spatium nullum tranquillum atque otiosum spiritum duxerimus,
- nobiscum simul moritura omnia arbitremur?
An statuas et imagines, non animorum simulacra, sed corporum, studiose multi summi homines reliquerunt;
nonne multo malle debemus
- summis ingeniis expressam et politam?
Ego vero omnia
- quae gerebam
- iam tum in gerendo
spargere me ac disseminare arbitrabar in orbis terrae memoriam sempiternam.
- Haec vero sive a meo sensu post mortem afutura est,
- sive,
- ut sapientissimi homines putaverunt,
- ad aliquam animi mei partem pertinebit,
nunc quidem certe cogitatione quadam speque delector.
Of moeten wij allen zo bekrompen schijnen, wij die ons leven leiden in de maatschappij te midden van moeiten en gevaren, dat wij geloven dat, wanneer wij tot aan het laatste einde zonder rust en ontspanning hebben ademgehaald, alles samen met ons tegelijk vergaat? Hebben vele grote mannen soms ijverig standbeelden en portretten nagelaten als afbeeldingen niet van hun geestkracht maar van hun lichaam? Wij moeten toch veel eerder van onze innerlijke kwaliteiten een beeltenis achterlaten dat door de bekwaamste talenten kunstig is gevormd. Ja, alles wat ik deed, meende ik reeds tijdens het verrichten uit te strooien en uit te zaaien als eeuwig gedenkteken over de hele aarde. Of dit nu na de dood buiten mijn bewustzijn zal geraken of – zoals de meeste wijze filosofen dachten – een deel van mijn bewustzijn zal raken, in elk geval schep ik nu een zeker genoegen in die hoop en gedachte.
Genitivus qualitatis.
Potentialis.
'Tot onze laatste adem'.
Dit is hier een elliptische infinitivus futurum actief (dus zonder esse).
Appositie bij imagines.
De woordvolgorde is opvallend; de genitivi zijn afhankelijk van effigiem, het object van relinquere.
Ablativus mensurae.
Polire is ‘polijsten’, wat zowel van poëzie als van standbeelden gezegd kan worden.
Net als verderop in gerendo betekent gerere hier ‘gedenkwaardige daden verrichten’ (zie hierboven res gestae).
‘Eeuwigdurende herdenking’ of ‘eeuwigdurende geschiedschrijving’ (memoria kan beide betekenen).
a meo sensu abesse: ‘niet langer voor mijzelf waarneembaar zijn’.
Hier bijna ‘overtuiging’.
Het partikel (drie keer gebruikt in deze paragraaf) geeft aan dat Cicero zijn eigen overtuiging weergeeft en dus ook ruimte laat voor onderhandeling met het publiek.
omnes … versamur: een inclusief meervoud – Cicero creëert een gemeenschap met alle leden van de hardwerkende politieke elite inclusief de rechters en het publiek: een veroordeling van Archias zou hen allen schaden.
Dit is sterk hyperbolisch, aangezien alle Romeinse politici ruimschoots eigen tijd hadden die zij in hun villa’s konden doorbrengen – de Romeinse kalender kende immers talrijke feestdagen waarop politieke en juridische zaken stil kwamen te liggen.
Met simulacra – studiose – summi een keten van s-alliteraties die de gedachte samenhang geeft. Dit is een stilistische verwijzing naar het oudere Latijn; dergelijke allitererende woordreeksen komen vaak voor in poëzie en redevoeringen uit de 2e eeuw v.Chr. (Ennius, Cato de Oudere e.a.).
Op de eerste plaats in de zin gezet om nadruk te geven aan dit woord, dat belangrijk is voor Cicero’s zelfrepresentatie als (ex-)consul. Hij verwijst in zijn consulaire en post-consulaire redevoeringen vaak naar het woordveld van consul, consilium, consulere.
De herhaling van het woord summus, kort hiervoor gebruikt voor summi viri, dus zowel voor de patroni van de literatuur als voor de dichters, benadrukt opnieuw hun nauwe verbondenheid.
spargere et disseminare: een opvallende landbouwmetafoor voor het zaaien van zaden voor iemands toekomstige roem.
Een verwijzing naar een soort collectief (niet-geïndividualiseerd) geheugen dat de gehele mensheid deelt en dat de daden van voorbeeldige personen uit het verleden omvat.
Het imperfectum valt op: Cicero suggereert hiermee dat het gedurende heel zijn politieke leven zijn gewoonte was om bij alles wat hij deed na te denken over zijn roem bij het nageslacht.
Verscheidene sterke, dicht opeenvolgende alliteraties die benadrukken hoe belangrijk de hoop op toekomstige roem als stimulans in het leven is.
Deze bewoordingen herinneren het publiek aan de manier waarop Cicero zijn eigen moed tijdens de Catilinarische samenzwering had voorgesteld als een levensgevaarlijke dienst aan de staat (zie het essay over Cicero’s zelfrepresentatie).
Ontspanning (otium) was een belangrijk aandachtspunt voor de Romeinse bovenlaag: dit omvatte onder meer tijd voor diners, filosofische gesprekken, lezen en/of schrijven, en het doorbrengen van tijd in hun (vele) villa’s verspreid over heel Italië.
Vergeten worden was een reële zorg voor Cicero en veel van zijn tijdgenoten: voortleven in de herinnering van het nageslacht (gloria/memoria) was een belangrijke drijfveer voor politici. Cicero publiceerde zijn redevoeringen en zelfs poëzie en commentarii over zijn consulaat om door latere generaties herinnerd te worden. We weten ook dat hij hoopte dat Archias een lofdicht op hem zou schrijven.
Het straatbeeld van Rome was vol gedenkbeelden, en ook in privéwoningen werden afbeeldingen van beroemde voorvaderen bewaard. Cicero’s argument hier is dat het even gewoon zou moeten zijn om lofprijzing in poëzie te ontvangen als om roem via standbeelden te verwerven.
In zijn derde rede tegen Catilina, gehouden ten overstaan van het volk, had Cicero zelfs verklaard dat hij geen standbeelden wilde voor zijn strijd tegen Catilina, maar in plaats daarvan de voorkeur gaf aan eeuwige herdenking (ook in de vorm van literatuur) (Cat. 3.26).
Voor de term summi viri zie hierboven (§15, 18 en 27). Het is een quasi-technische term voor voorbeeldige figuren uit het verleden.
Dit is een verwijzing naar de leer van Epicurus en zijn volgelingen dat de dood het einde is van lichaam en ziel. In zijn filosofische geschriften bekritiseert Cicero de epicuristische filosofie vaak.
De leer dat ook na de dood de ziel niet zal sterven, kan worden toegeschreven aan Pythagoras en Plato, die Cicero beiden bewonderde (vandaar het meervoud en de overtreffende trap sapientissimi). Cicero was een aanhanger van de platoonse traditie, de zogenoemde sceptische Academische school, zoals die zich in de eerste eeuw v.Chr. had ontwikkeld.