Logos-Ethos- Pathos
Inleiding
Goed kunnen spreken is in de oudheid altijd al belangrijk geweest. Uitblinken op het gebied van speeches is al een cruciaal deel van het arsenaal van een Homerische held. De democratie in Athene stimuleerde de retorica enorm: een enthousiast participerend burger moest zijn punt kunnen maken tijdens stemmingen én in de rechtspraak. Sofisten, rondreizende betaalde leraren in allerlei disciplines, schreven de eerste handleidingen in de welsprekendheid op basis van hun eigen analyses. Ook Aristoteles schreef, in navolging van zijn leermeester Plato, over de regels van de retorica. Hij deed zowel empirisch als praktisch onderzoek en maakte onderscheid tussen de kunst retorica en de kunstenaar de redenaar.
Aristoteles onderscheidt daarbij verschillende soorten overtuigingsmiddelen: de atechnoi en de entechnoi. Atechnoi bevatten zaken als documenten en getuigenverklaringen: denk in het geval van de Pro Archia aan de wetsteksten. Entechnoi vallen uiteen in ethos, pathos en logos. Ook Cicero en Quintilianus, de grote Romeinse schrijvers over welsprekendheid voor redenaars, gebruiken deze begrippen of omschrijvingen hiervan graag om aan te geven wat een goede redenaar in huis moet hebben. De Romeinse opleiding tot een goede redenaar was immers gestoeld op Griekse voorbeelden.
Om een succesvolle redevoering te houden, moest een redenaar de overtuigingsmiddelen in zijn repertoire op het juist moment én op de juiste manier inzetten. Ten eerste moest hij, als politicus of advocaat, of de persoon die hij vertegenwoordigde als het een juridische redevoering betrof, sympathiek overkomen (ethos). Verder moest hij scherp redeneren over zijn gelijk (logos). Tenslotte moest hij ook op de emoties van zijn publiek inspelen (pathos).
Gezien de onderdelen van een redevoering is het vrij logisch dat een redenaar met name ethos in de inleiding inzette, zodat het publiek geneigd was met zijn redenering in de rest van het stuk mee te gaan, logos in de argumentatio en pathos bij het slot, om een blijvende indruk op het publiek te maken. Dat wil echter niet zeggen dat deze overtuigingsmiddelen tot alleen die onderdelen van een rede veroordeeld zijn.
Ook de taken van de redenaar die Cicero onderscheidt krijgen vaak hun eigen overtuigingsmiddel eraan gekoppeld: conciliare, het publiek voor je innemen, kun je het best bewerkstelligen door ethos; movere, het publiek emotioneren, heeft pathos nodig en docere, het publiek onderwijzen, lukt het best met logos.
Ethos
Bij ethos is het van belang dat de redenaar let op de geloofwaardigheid: de hele rede moet passen bij het karakter van de redenaar. Dan gelooft het publiek de voorspiegeling van zaken in de narratio en aanvaardt het publiek de gedachtegang in de argumentatio. Naast geloofwaardigheid moet hierbij ook de deugdzaamheid en welwillendheid in de gaten gehouden worden. Sprekers die door hun publiek als goede mensen worden gezien, krijgen meer gedaan van hun publiek. Let ook op Cicero’s constante verwijzingen naar de boni, de optimaten, ‘ons soort mensen’. Meteen in de inleiding zou de spreker zijn publiek zo moeten complimenteren dat zij geneigd zijn met een vriendelijk oor verder te luisteren: de captatio benevolentiae.
Beïnvloeding op basis van de reputatie van de betrokken personen speelt een grote rol in de Pro Archia. In paragraaf 6 bijvoorbeeld noemt Cicero een hele rits aan invloedrijke personen om aan te duiden dat Archias ook in de hoogste kringen verkeerde. Cicero gaat zelfs zo ver om te beweren dat als Archias geen burger zou zijn geweest, hem alsnog het burgerschap toegekend zou moeten worden (paragraaf 4). Naast sympathie voor Archias, de cliënt, wekt Cicero ook sympathie op voor zichzelf. Al in paragraaf 1 probeert hij door middel van (valse) bescheidenheid het publiek voor zich te winnen.
Logos
Je zou zeggen dat een redevoering, zeker voor een rechtbank, staat of valt met de kracht van de argumenten. Vaak heeft de redenering de vorm van een syllogisme: een premisse maior of algemene wet, regel of kennis, gecombineerd met een premisse minor of relevante observatie of feit, met daaruit volgend een logische conclusie. Als de premissen waar zijn en de redenering is geldig, dan is de conclusie noodzakelijk waar. De redenaar heeft dus met name de taak zijn publiek te overtuigen van zijn premissen. In de zaak van Archias zie je bijvoorbeeld het volgende:
P1 Alle individuen die voldoen aan de eisen van de lex Plautia Papiria, kunnen een Romeins burger worden;
P2 Archias voldoet aan alle eisen van de lex Plautia Papira;
C Archias heeft het burgerschap terecht verkregen
Pathos
Zowel de Grieken als de Romeinen waren goed op de hoogte van het feit dat (voor)oordelen door emoties worden gevoed. Het goed kunnen inspelen op die emoties is daarom een zeer belangrijke taak voor de redenaar. Vaak wordt in een juridische redevoering woede over de gepleegde misdaad opgeroepen, of juist medelijden met een persoon die onschuldig aangeklaagd is. Bij de Pro Archia wordt juist ook veel liefde opgeroepen: liefde voor Archias, bewondering voor zijn werk en voor dichters in het algemeen, dankbaarheid voor de diensten die zij de wereld tonen door hun werk. Daarbij wordt ook weer verwezen naar andere bekende grote dichters, als Homerus. (paragraaf 19). Ook in paragraaf 31 worden door Cicero positieve gevoelens ten opzichte van Archias’ rechtschapenheid en talent opgewekt: juist aan het einde zodat zijn woorden goed beklijven voor het jurybesluit.
Opdrachten:
- Van zowel ethos, pathos, als logos is in dit artikel een voorbeeld gegeven aan de hand van de Pro Archia. Geef van alle drie de overtuigingsmiddelen nog een voorbeeld dat gestoeld is op deze tekst.