Paragraaf 25
Itaque, credo, si civis Romanus Archias legibus non esset, ut ab aliquo imperatore civitate donaretur perficere non potuit. Sulla cum Hispanos et Gallos donaret, credo, hunc petentem repudiasset; quem nos vidimus, cum ei libellum malus poeta de populo subiecisset, quod epigramma in eum fecisset tantum modo alternis versibus longiusculis, statim ex eis rebus quas tum vendebat iubere ei praemium tribui, sed ea condicione ne quid postea scriberet. Qui sedulitatem mali poetae duxerit aliquo tamen praemio dignam, huius ingenium et virtutem in scribendo et copiam non expetisset?
Itaque,
- credo,
- si civis Romanus Archias legibus non esset,
- ut ab aliquo imperatore civitate donaretur
perficere non potuit.
credo,
- hunc petentem repudiasset;
quem nos vidimus,
- cum ei libellum malus poeta de populo subiecisset,
- quod epigramma in eum fecisset tantum modo alternis versibus longiusculis,
- statim ex eis rebus
- quas tum vendebat
- iubere ei praemium tribui,
- sed ea condicione ne quid postea scriberet.
- Qui sedulitatem mali poetae duxerit aliquo tamen praemio dignam,
huius ingenium et virtutem in scribendo et copiam non expetisset?
Als Archias niet al een wettig burger was, kon hij er dan niet in slagen dat hem door een legeraanvoerder het burgerschap werd verleend? Moet ik dat geloven? Toen Sulla de Spanjaarden en de Galliërs tot burgers verklaarde, zou hij mijn cliënt ondanks diens verzoek hebben afgewezen? Moet ik dat geloven? Wij hebben gezien hoe Sulla in de volksvergadering, toen een pruldichter uit het volk hem een papyrusrol had overhandigd omdat hij op hem een epigram had gemaakt in disticha die alleen een beetje te lang waren uitgevallen, terstond uit de opbrengst van wat hij toen aan het verkopen was een beloning liet uitbetalen op die voorwaarde dat hij in de toekomst nooit meer zou schrijven. Iemand die de vlijt van een pruldichter toch een beloning waard vond, zou niet het schrijftalent van mijn cliënt, zijn bekwaamheid en verbaal vermogen, willen winnen?
In concessieve zinnen staat bij modale werkwoorden die een vermogen, verplichting, etc. uitdrukken doorgaans de indicativus (in plaats van potuisset).
Voeg civitate toe; de cum is een cum concessivum.
= si petivisset.
= repudiavisset.
D.w.z. Sulla; hier onderwerpsaccusatief in de a.c.i. bij de infinitivus iubere (afhankelijk van vidimus).
A.c.i. afhankelijk van iubere.
‘Van onderaf omhoog reiken’ (aangezien Sulla op een tribunaal zat, zie het commentaar bij de inhoud).
quod ... fecisset: coniunctivus in een causale bijzin door attractio modi (dit betekent dat de coniunctivus ervoor er ook toe leidt dat het werkwoord in deze bijzin eveneens in de coniunctivus staat).
epigramma, -atis n.: ‘een kort gedicht’.
‘In afwisselende versregels’, d.w.z. in elegische disticha.
‘Overdreven lang’; een bijvoeglijk naamwoord afgeleid van longius (de comparativus van longus). De verkleinvorm heeft een pejoratieve betekenis (en staat in contrast met epigramma – een epigram moest immers kort zijn).
= quid staat i.p.v. aliquid (na si, nisi, num en ne…).
Qui … duxerit: coniunctivus in een betrekkelijke bijzin met consecutieve betekenis.
sedulitas: ‘ijver, naarstigheid’ – hier pejoratief: al wat de poeta kan voortbrengen is kwantiteit, geen kwaliteit.
dignam duxerit = dignam aestimaverit (ducere geconstrueerd met dubbele accusativus).
praemio dignam: ‘een beloning waard’ (dignus wordt gewoonlijk met de ablativus geconstrueerd).
= Archiae.
= expetivisset; expetere hier: ‘trachten voor zich te winnen’.
Credo (dat in deze paragraaf tweemaal wordt gebruikt) is een duidelijk teken van ironie. De ironische uitspraken worden beide keren benadrukt door p-alliteratie aan het eind (perficere potuisset en petentem repudiasset).
Nadruk op het thema civitas door de predicaatsnomina (civis Romanus) vóór het onderwerp (Archias) aan het begin van de zin te plaatsen en door non esset daarvan te scheiden. Op deze manier ontstaat de suggestieve woordvolgorde civis Romanus Archias – de uitkomst van de zaak waarop Cicero hoopte!
De daaropvolgende anekdote over Sulla en de malus poeta bereidt de weg voor een argumentum a fortiori: als hij daar al zo reageerde, hoeveel te meer moet hij dan reageren in het geval van Archias?
qui sedulitatem... non expetisset?: het argument wordt afgesloten met een retorische vraag.
ingenium et virtutem et copiam :een polysyndetisch tricolon benadrukt de kwaliteiten van Archias, in tegenstelling tot de sedulitas van de slechte dichter; in scribendo hoort bij beide (ἀπὸ κοινοῦ) virtutem en copiam.
Veldheren konden het recht hebben om dappere soldaten (niet-Romeinse auxiliares) met het burgerrecht te belonen. Dit recht moest hun echter bij wet worden verleend.
L. Cornelius Sulla, de dictator en aanstichter van de beruchte proscripties in 82-81 v.Chr., waarbij honderden politieke tegenstanders willekeurig werden gedood en hun bezittingen werden geconfisqueerd. Hij wordt in verscheidene toespraken door Cicero als negatief voorbeeld aangehaald. Hier speelt hij echter een positieve rol, wellicht alleen om het grappige verhaal van de malus poeta in het betoog te verwerken.
De toespelingen verwijzen ofwel naar zijn consulaat in 88 ofwel naar zijn dictatuur van 82 tot 79 v.Chr.
Er waren veel slechte dichters in Rome die probeerden hun brood te verdienen met het schrijven van lofdichten over invloedrijke politici, van wie ze hoopten hen als beschermheer te winnen. We kunnen ons voorstellen dat de meeste van zulke verzen tamelijk slecht waren. We mogen niet vergeten dat we alleen de absolute top van de poëzie kennen die destijds werd geproduceerd – maar zeker niet elke antieke dichter was een Vergilius of een Ovidius!
quem nos vidimus: sommige manuscripten hebben hier quem nos in contione vidimus (‘Op de volksvergadering’). Het decor van de anekdote lijkt een vergadering te zijn waarbij het bezit van de bannelingen werd geveild (ex eis rebus quas tum vendebat). Plutarchus meldt dat Sulla zelf regelmatig aan zulke veilingen deelnam, gezeten op een tribunaal (Life of Sulla 33).