Paragraaf 28
Atque ut id libentius faciatis, iam me vobis, iudices, indicabo et de meo quodam amore gloriae nimis acri fortasse, verum tamen honesto vobis confitebor. Nam quas res nos in consulatu nostro vobiscum simul pro salute huius urbis atque imperi et pro vita civium proque universa re publica gessimus, attigit hic versibus atque inchoavit. Quibus auditis, quod mihi magna res et iucunda visa est, hunc ad perficiendum adornavi. Nullam enim virtus aliam mercedem laborum periculorumque desiderat praeter hanc laudis et gloriae; qua quidem detracta, iudices, quid est quod in hoc tam exiguo vitae curriculo et tam brevi tantis nos in laboribus exerceamus?
- Atque ut id libentius faciatis,
iam me vobis, iudices, indicabo
et de meo quodam amore gloriae nimis acri fortasse, verum tamen honesto vobis confitebor.
- Nam quas res nos in consulatu nostro vobiscum simul pro salute huius urbis atque imperi et pro vita civium proque universa re publica gessimus,
attigit hic versibus atque inchoavit.
- Quibus auditis,
- quod mihi magna res et iucunda visa est,
hunc ad perficiendum adornavi.
Nullam enim virtus aliam mercedem laborum periculorumque desiderat praeter hanc laudis et gloriae;
- qua quidem detracta, iudices,
- quod in hoc tam exiguo vitae curriculo et tam brevi tantis nos in laboribus exerceamus?
En om uw bereidheid daartoe te vergroten, zal ik nu, heren juryleden, mijzelf voor u als voorbeeld nemen en aan u over mijn wellicht al te grote maar toch prijzenswaardige eerzucht een bekentenis doen. Over wat wij tijdens ons consulaat met uw steun voor het welzijn van onze staat, voor het lijfsbehoud van de burgers en voor de gehele gemeenschap hebben kunnen doen, daarover is mijn cliƫnt een nieuw gedicht begonnen. Toen ik dit had vernomen, heb ik mij met hem in verbinding gesteld, omdat dit voornemen mij belangrijk leek en genoegen deed, om de voltooiing ervan te bevorderen. Want verdienste verlangt geen andere beloning voor haar moeiten en gevaren dan eer en roem. Als men die wegneemt, heren juryleden, waarom zouden wij ons dan nog in de korte en geringe tijd van ons leven die moeiten geven?
me vobis … indicabo: ‘ik zal mij aan jullie openbaren’.
Dit hoort bij amore gloriae, net als acri waarmee het een tegenstelling vormt.
Archias. Je kunt je voorstellen dat Cicero naar Archias wijst terwijl hij dit woord uitspreekt.
Een betrekkelijke bijzin, waarin het antecedent deel uitmaakt van die bijzin (een eenvoudigere versie zou zijn: eas res, quas…).
rem gerere: ‘een daad verrichten die het waard is herdacht te worden’.
Samengetrokken genitivus enkelvoud van imperium (in Cicero’s tijd nog gebruikelijk bij zelfstandige naamwoorden op -ius, -ium).
Eigenlijk ‘aanraken’, hier ‘in een literair werk behandelen’.
‘Beginnen’.
- Relatieve aansluiting in een ablativus absolutus. Quibus verwijst naar versibus.
adornavi (met ad + gerundium): hier te vertalen met ‘aansporen tot’.
De genitivi zijn afhankelijk van mercedem (‘de beloning voor jouw harde werk’).
'Beloning’.
Vul aan mercedem.
De genitivi zijn afhankelijk van hanc (mercedem); de genitivus drukt hier veeleer uit waaruit de beloning bestaat (een genitivus qualitatis).
qua … detracta: relatieve aansluiting en ablativus absolutus; qua slaat terug op merces (of ook laus/gloria).
quid est quod: ‘waarom is het zo dat’.
'Levensloop'.
nos … exerceamus: coniunctivus deliberativus, die twijfel en onzekerheid uitdrukt.
Door quodam (‘een zekere’) toe te voegen als bepaling bij amore gloriae, verzacht Cicero de mogelijk negatieve connotatie (zie ook het commentaar bij de vertaling).
Het is fascinerend om je voor te stellen welke gebaren Cicero gemaakt zou kunnen hebben bij het noemen van de kritiek op zijn amor gloriae. Zou hij dit met gêne hebben gepresenteerd, of zou hij het juist zelfverzekerd hebben weggewuifd? (Zie het essay over actio).
In dezelfde lijn van argumentatie met voorbeelden, die Cicero ook in de voorgaande paragrafen al gebruikte, begint hij nu over zijn eigen persoon te spreken. Daarmee suggereert hij dat hij zelf deel uitmaakt van deze groep voorbeeldige Romeinen.
In §24 noemt Cicero de dichter Theophanes, die zijn burgerschap verdiende door een lofdicht op Pompeius de Grote. Met deze parallel suggereert Cicero dat Archias zijn burgerschap ook verdient, omdat hij al begonnen is aan een lofdicht op Cicero.
inchoavit: met attigit een hysteron proteron (inchoare zou eerder moeten staan dan attingere). inchoare (‘beginnen’) krijgt daardoor veel nadruk. Misschien is dit een vorm van impliciete kritiek in de richting van Archias dat hij nog niet ver genoeg is met het lofdicht op Cicero?
Dit is de derde maal pro: een tricolon met een climax die Cicero’s heroïsche strijd tegen Catilina tijdens zijn consulaat samenvat.
De eerste persoon meervoud is hier duidelijk een pluralis maiestatis, die Cicero’s consulaat een verheven karakter geeft.
Het woord wordt omsloten door de beloning (nullam … aliam mercedem). De woordvolgorde illustreert dat gloria zowel dient als stimulans om goede daden te verrichten, als ter bescherming van deze virtus (en de goede naam van degene die haar toepast) tegen mogelijke kritiek van tegenstanders.
Met deze term maakt Cicero van de relatie tussen politiek engagement en het verwerven van roem als het ware een transactie. Wie een bijdrage levert aan de staat, ontvangt roem als betaling.
Cicero herhaalt de term labor in deze paragraaf; hij benadrukt daarmee dat wat hij heeft gedaan om Rome van Catilina te redden zwaar werk was. Het woord labor komt in zijn redevoeringen vaak voor met betrekking tot zijn eigen consulaat.
Sterke qu-alliteratie die deze zin als cruciaal markeert, bijna als een sententia die de toehoorders zich moeten inprenten.
exiguo – brevi: hendiadys die het contrast markeert tussen een kort leven en langdurige roem.
De woordvolgorde laat zien hoe Cicero letterlijk omringd wordt door al zijn inspanningen ten behoeve van de staat (zie het commentaar bij laboris hierboven).
Cicero’s streven naar gloria bleef in zijn eigen tijd niet onopgemerkt: hij werd door zijn politieke tegenstanders bekritiseerd omdat hij te veel over zijn eigen successen sprak. Door het hier honestus te noemen, verdedigt hij de manier waarop hij zichzelf stileert als iemand die recht doet aan zijn verdiensten (zie het essay over Cicero’s zelfrepresentatie).
Cicero suggereert dat Archias al begonnen is aan een gedicht over zijn optreden tijdens de samenzwering van Catilina. We weten dat Cicero Archias had aangespoord om een lofdicht in het Grieks te schrijven, maar daar is niets van terechtgekomen. In juli 61 v.Chr. schreef Cicero aan zijn vriend Atticus dat ‘Archias niets over mij heeft geschreven’ (Cic. Att. 1.16). Uiteindelijk schreef Cicero zelf een episch gedicht over zijn daden, getiteld De consulatu suo, waarvan enkele regels bewaard zijn gebleven. Zie het essay over Cicero’s zelfrepresentatie.
Cicero’s maatregelen tegen de samenzwering van Catilina in consulatu nostro (in 63 v.Chr.)
Cicero beweerde regelmatig dat hij de stad had gered en weer veilig had gesteld. De toehoorders zullen de uitdrukking ‘salus van de stad en de burgers’ hebben herkend uit de redevoeringen tegen Catilina en vele andere toespraken die Cicero na zijn consulaat hield.
Cicero gebruikt auditis, niet lectis. Dit herinnert ons eraan dat poëzie in deze tijd nog hardop werd voorgedragen en niet vaak in stilte werd gelezen.