Paragraaf 8
Si nihil aliud nisi de civitate ac lege dicimus, nihil dico amplius; causa dicta est. Quid enim horum infirmari, Gratti, potest? Heracleaene esse tum ascriptum negabis? Adest vir summa auctoritate et religione et fide, M. Lucullus; qui se non opinari sed scire, non audisse sed vidisse, non interfuisse sed egisse dicit. Adsunt Heraclienses legati, nobilissimi homines, huius iudici causa cum mandatis et cum publico testimonio venerunt; qui hunc ascriptum Heracliae esse dicunt. Hic tu tabulas desideras Heracliensium publicas, quas Italico bello incenso tabulario interisse scimus omnes? Est ridiculum ad ea quae habemus nihil dicere, quaerere quae habere non possumus, et de hominum memoria tacere, litterarum memoriam flagitare et, cum habeas amplissimi viri religionem, integerrimi municipi ius iurandum fidemque, ea quae depravari nullo modo possunt repudiare, tabulas quas idem dicis solere corrumpi desiderare.
- Si nihil aliud nisi de civitate ac lege dicimus,
nihil dico amplius;
causa dicta est.
Quid enim horum infirmari, Gratti, potest?
Heracleaene esse tum ascriptum negabis?
Adest vir summa auctoritate et religione et fide, M. Lucullus;
- qui
- se non opinari sed scire, non audisse sed vidisse, non interfuisse sed egisse
- dicit.
Adsunt Heraclienses legati, nobilissimi homines,
- huius iudici causa cum mandatis et cum publico testimonio venerunt;
- qui hunc ascriptum Heracliae esse dicunt.
Hic tu tabulas desideras Heracliensium publicas,
- quas Italico bello
- interisse scimus omnes?
Est ridiculum
- ad ea
- quae habemus
- nihil dicere,
- quaerere
- quae habere non possumus,
- et de hominum memoria tacere,
- litterarum memoriam flagitare
- et,
- cum habeas amplissimi viri religionem, integerrimi municipi ius iurandum fidemque,
- ea
- quae depravari nullo modo possunt
- repudiare,
- tabulas
- quas idem dicis solere corrumpi
- desiderare.
Als wij alleen over wettig burgerrecht te spreken hebben, hoef ik verder niets meer te zeggen: mijn verdedigingsrede is dan afgelopen. Welk onderdeel van de inhoud kan ontkracht worden, Grattius? Wilt u ontkennen dat hij toen in Heraclea is ingeschreven? Als getuige is aanwezig een man met zeer groot gezag, oprecht en betrouwbaar, Marcus Lucullus, die zegt dat hij dit niet meent maar weet, niet gehoord maar gezien heeft, niet erbij geweest is maar het heeft doorgevoerd. Als getuigen zijn aanwezig vertegenwoordigers uit Heraclea, mensen van zeer hoge komaf, omwille van dit proces met volmachten en met een officieel getuigenis gekomen, die verklaren dat hij als burger van Heraclea staat ingeschreven. U mist de officiĆ«le bevolkingsregisters van Heraclea, die – zoals wij allen weten – tijdens de Italische oorlog bij een brand in het archief verloren zijn gegaan? Het is lachwekkend om op wat wij zien niets terug te zeggen maar te vragen wat wij niet kunnen hebben, over de menselijke herinnering te zwijgen maar een geschreven herinnering te vorderen en terwijl u het gewetensvol getuigenis van een zeer hooggeacht man en de beëdigde verklaring van een integere gemeenschap bezit, datgene wat op geen enkele manier vervalst kan worden, af te wijzen en te vragen om registers die naar uw eigen zeggen vervalst plegen te worden.
‘Niets anders behalve’.
Een partikel dat markeert dat de aangesprokene het eens is of bekend is met wat in de zin wordt gezegd. Dat is in dit geval behoorlijk manipulatief, want Grattius zal het er niet mee eens zijn dat al Cicero’s punten goed gefundeerd zijn.
Cicero laat het in het midden of dit een vooruit- of terugverwijzing is. Dit heeft met de heel ongebruikelijke manier te maken waarop hij hier de overgang van narratio naar argumentatio inzet (zie inhoud).
Vocativus van de naam Grattius.
Heracleae is een locativus (‘in/te Heraclea’) – deze vorm bestaat bij namen van steden in de eerste en tweede declinatie die in het enkelvoud staan (bijv. Romae = ‘in Rome’).
In deze a.c.i. is het accusatiefsubject (Archiam) niet uitgedrukt.
Juridische, technische term (zie boven §6).
summa auctoritate et religione et fide: ablativi qualitatis.
religio: betekent niet ‘religie’, maar ‘betrouwbaarheid’ (religio et fides samen betekenen zoiets als ‘gewetensvolle levenswandel’). Het is opvallend dat Lucullus deze eigenschap in deze alinea twee keer toegeschreven krijgt: waarom herhaalt Cicero deze karakterisering?
Betrekkelijk voornaamwoord dat ook accusatiefsubject in de aci is. Daarom moet men het twee keer vertalen (‘waarvan we weten dat zij…’).
Ablativus absolutus (voortijdig).
dicere ad: iets zeggen ‘naar aanleiding van’.
Drie vormen van het werkwoord dicere in de eerste zijn opvallend. De herhaling komt echter met variatie: dicere heeft hier telkens een net andere betekenis (‘juridisch behandelen’, ‘een redevoering houden’ en ‘een zaak afsluiten’). De hele zin benadrukt nog eens hoe ongebruikelijk deze rechtszaak (en Cicero’s speech) is, zie ook §1: een klassieke pro- en contra argumentatie is niet noodzakelijk omdat volgens Cicero de zaak glashelder is.
Hiermee lijkt Cicero de bewijslast om te draaien. Alsof het aan Grattius is om Cicero’s claims te ontkrachten. Cicero benadrukt dat de zaak als voor zich spreekt.
Het futurum is opvallend, want Grattius heeft zijn aanklacht al gehouden (in een Romeins proces antwoordde de verdediger altijd op de aanklager). Waarom kiest Cicero volgens jou alsnog voor het futurum?
De eerste van bovengemiddeld veel tricola in deze alinea, die daardoor een retorisch krachtige vorm krijgt.
Tricolon met telkens een tegenstelling per colon, die ook nog asyndetisch geconstrueerd is. De tegenstellingen onderstrepen de zekerheid van Lucullus’ getuigenis en zijn algehele betrouwbaarheid.
De laatste zin is een lange opsomming van de belachelijke manier waarop Grattius het bewijsmateriaal arrangeert en voorbijgaat aan de getuigenverklaringen. Hij is opnieuw opgebouwd als een tricolon, waarbij de drie delen telkens bestaan uit twee onderdelen die elkaars tegendeel bevatten: habemus – non habere; de memoria tacere – memoriam flagitare; repudiare – flagitare/depravari – corrumpi). In het laatste colon is een cum-bijzin ingevoegd, waardoor dat deel het langste van het tricolon wordt (een tricolon crescens).
amplissimi – integerrii: de superlativi nemen de eerdere superlativi (summa over Lucullus, nobilisimi over de gezanten) op en benadrukken hoe onhoudbaar Grattius’ verdachtmaking van de getuigenverklaringen van Lucullus en de inwoners van Heraclea zijn.
Met §8 eindigt de narratio en begint de argumentatio, traditioneel het hoofddeel van een speech. Het is daarom bijzonder verrassend dat Cicero met de eerste zin van de argumentatio zegt dat de zaak afgehandeld is. De weerlegging van Grattius’ aanklacht (refutatio) die vanaf de tweede zin volgt en tot §11 doorgaat, wordt daardoor als ‘bijna onnodig’ geframed – zo belachelijk slecht en ongegrond is de zaak. Zie voor de klassieke opbouw van een speech het achtergrondthema Retorische leer over opbouw van een speech.
Juridische formulering voor het afsluiten van een rechtszaak door middel van een vonnis.
Lucullus (over hem zie §5) was als getuige en patronus van Archias in de rechtbank aanwezig. Zijn auctoritas is een belangrijk argument voor Cicero – in processen in Rome kon het uitmaken als een aangeklaagde door hoogstaande politici met groot aanzien werd gesteund. Auctoritas was dus een acceptabel overtuigingsmiddel (in de retorische terminologie valt dit onder het begrip ethos, zie essay over logos-ethos-pathos).
Dit geeft een interessante inkijk in de Romeinse cultuur: is het gezag van een invloedrijke vriend ook in onze tijd een acceptabel overtuigingsmiddel?
Deze zijn gekomen namens de inwoners van Heraclea. Als officiële gezanten (ambassadeurs) genieten ze legale bescherming en hoog aanzien.
De afwezigheid van legale documentatie m.b.t. Archias’ burgerrechten in Heraclea is het zwakste punt voor Cicero, want het vormt de noodzakelijke voorwaarde voor zijn Romeins burgerrecht. Hij moet daarom alles doen om dit probleem te omzeilen, vooral door Gratius’ aanklacht als ridiculum te framen.
Nog steeds hebben zogenaamde ‘ongedocumenteerden’ een juridisch probleem in onze samenleving.
Dit gaat over de Bondgenotenoorlog (bellum sociale) tussen 91 en 88 v.Chr. Hierin vochten de Italische socii van de Romeinen erom het volle Romeinse burgerrecht te krijgen. Tot dan waren ze bondgenoten met veel plichten (ze moesten bijvoorbeeld Rome in oorlogen steunen), maar weinig voordelen (ze mochten niet stemmen en waren ook niet in bezit van de specifieke juridische voordelen van een Romeise burger). Uiteindelijk wonnen de socii en werd het Romeinse burgerrecht voor alle bondgenoten in Italië toegestaan. Zie historisch overzicht.