Stijlfiguren

(Overgenomen van https://cicerogaatverder.nl/themas/stijlfiguren/)  

De onderstaande lijst biedt geen volledig overzicht van stijlfiguren in de Latijnse literatuur: er zouden vele stijlfiguren aan kunnen worden toegevoegd en over de wel genoemde stijlfiguren valt uiteraard meer te zeggen. De lijst is enkel bedoeld als korte toelichting bij de stilistische termen die in het commentaar worden genoemd. De voorbeelden zijn afkomstig uit Pro Sex. Roscio Amerino. 

alliteratie (beginrijm): twee of meer woorden (of lettergrepen) beginnen met dezelfde medeklinker.

anagram: een (of meerdere) woord dat gevormd wordt door de letters van een ander woord in een andere volgorde te zetten, bijv. "a gentleman" en "elegant man".

anaphora: herhaling van hetzelfde woord (of dezelfde woorden) aan het begin van opeenvolgende zinnen of zinsdelen.

antithese: twee tegenstelde begrippen of gedachten worden tegenover elkaar geplaatst.

apostrophe: het directe aanspreken van een of meerdere personen of soms zelfs zaken.

aposiopesis (reticentia): het plotselinge afbreken van een zin waardoor deze grammaticaal onvolledig wordt, bijv. "je hebt toch niet...".

assonantie (klinkerrijm): overeenkomst tussen woorden door het gebruik van dezelfde klinkers.

asyndeton: zinnen of zinsdelen worden achter elkaar geplaatst zonder voegwoord (zoals ut) of connector (zoals et of sed); als er sprake is van een tegenstelling, dan spreken we van een adversatief asyndeton. 

cacofonie (kakofonie): het naast elkaar plaatsen van niet-welluidende klanken of woorden. In het Latijn werd een opeenstapeling van spitse i-klanken vaak als cacofoon ervaren.

chiasme (kruisstelling): bij twee zinnen of zinsdelen worden de overeenkomstige elementen gerangschikt volgens het patroon ABBA.

climax (of anticlimax): reeks van zinnen of zinsdelen die qua inhoud of qua vorm een stijgende (of dalende) lijn vertonen.

figura etymologica: herhaling van woorden die van de zelfde stam afgeleid zijn maar tot verschillende woordsoorten horen (bijv. “een drankje drinken”).

hendiadys: twee semantisch verwante woorden met "en" naast elkaar geplaatst, bijv. de Nederlandse rechtsterm "redelijkheid en billijkheid".

homoioteleuton: opeenvolging van twee of meer woorden met een gelijkluidend einde (wat wij in het Nederlands eindrijn noemen).

hyperbaton (overstap): twee woorden die bij elkaar horen worden uit elkaar geplaatst, waardoor het laatstgenoemde woord extra wordt benadrukt. 

hyperbool: overdrijving.

ironie: het tegenovergestelde van wat bedoeld is, wordt gezegd.

litotes: formulering waarbij iets wordt aangeduid door het tegendeel ervan te ontkennen.

oxymoron: combinatie van twee woorden die elkaar in hun betekenis tegensprekeb.

polyptoton: herhaling van een woord in verbogen of vervoegde vorm.

polysyndeton: nadrukkelijke herhaling van voegwoord of connector bij opeenvolgende woorden, zinsdelen of zinnen.

praeteritio: men zegt iets te willen overslaan en benoemt het vervolgens toch ("ik wil hier niets zeggen over het feit dat ...").

repetitio: herhaling.

retorische vraag: een vraag die niet gesteld wordt om beantwoord te worden, maar om een zekerheid of verontwaardiging uit te drukken.

thesis: formulering in algemene termen, bijv.: "Wie het nadeel heeft, moet ook het voordeel hebben." (of, zoals Johan Cruijff het zei: "Elk nadeel heb zijn voordeel").

tricolon: een zin (of zinsdeel) die (of dat) uit drie geledingen bestaat. Als de drie delen qua vorm en/of inhoud een stijgende lijn vertonen (bijv. het derde colon het langste is), dan spreken we van een tricolon crescens. 

zeugma: een zin waarin twee delen door een (werk)woord met elkaar verbonden worden die inhoudelijk eigenlijk ver van elkaar verwijderd staan; in het Nederlands bijv. "ik heet Piet en u hartelijk welkom".