De overlevering van Cicero’s Pro Archia
Vóór de introductie van gedrukte boeken in de tweede helft van de vijftiende eeuw werden teksten uitsluitend door het werk van kopiisten vervaardigd en overgeleverd. De klassieke geschriften die tot ons zijn gekomen, zijn meerdere malen overgeschreven en het is onmogelijk om precies vast te stellen hoeveel exemplaren er in de loop der eeuwen zijn gemaakt. Zoals veel geschriften van Cicero dankt ook de Pro Archia zijn voortbestaan aan de activiteit van kopiisten die tijdens en na de Karolingische renaissance in Noord-Europa werkzaam waren, dat wil zeggen vanaf het einde van de achtste eeuw.
De twee oudste bewaard gebleven handschriften van de redevoering bevinden zich tegenwoordig in Brussel en Berlijn. Het gaat om Brussel, Koninklijke Bibliotheek, MS 5348–5352, dat wordt aangeduid met het siglum G vanwege zijn herkomst uit de abdij van Gembloux, en Berlijn, Staatsbibliothek, MS Lat. fol. 252. Het siglum daarvan is E, omdat het zich vroeger in Erfurt bevond.
G werd in Gembloux vervaardigd in de tweede helft van de elfde eeuw (zie Babcock et al. 2023 voor de datering) en de tekst van de Pro Archia wordt daar voorafgegaan door de Tusculanae Disputationes. De aanwezigheid van een Ciceroniaans handschrift in Gembloux hoeft niet te verbazen, aangezien Olbert, abt van Gembloux en van St. Jacques in Luik gedurende de eerste helft van de elfde eeuw, het culturele prestige van deze centra bevorderde en hun bibliotheken verrijkte met klassieke teksten.
E is een verzameling van Cicero’s filosofische en retorische geschriften en redevoeringen. Het werd rond 1158 vervaardigd voor Wibald, de geleerde abt van Corvey en Stavelot. Het voorbeeldhandschrift (exemplar) ervan is niet G, maar een nauw verwant handschrift dat niet bewaard is gebleven.
Naast G en E zijn fragmenten uit Pro Archia 12–14, 20 en 26 bewaard gebleven in een florilegium dat in Frankrijk werd vervaardigd tegen het einde van de twaalfde en het begin van de dertiende eeuw. Dit handschrift bevindt zich tegenwoordig in Parijs, Bibliothèque nationale de France, MS Lat. 18104, en het siglum ervan is X, overeenkomstig Maslowski en Rouse 1979, die deze fragmenten hebben gepubliceerd. De tekst van de Pro Archia in X komt overeen met die van G en ook hier wordt de Pro Archia voorafgegaan door fragmenten uit de Tusculanae Disputationes.
We kennen nog een ander handschrift van de Pro Archia, dat inmiddels verloren is gegaan en dat Petrarca in 1333 in de stad Luik aantrof en overschreef. Het feit dat Petrarca’s vriend, Matteo Longhi uit Bergamo, op dat moment aartsdiaken van Luik was, heeft ongetwijfeld zijn toegang tot de bibliotheken in de stad vergemakkelijkt.
Petrarca’s afschrift (of misschien afschriften) is niet bewaard gebleven, maar speelde een cruciale rol bij de verspreiding van de Pro Archia onder intellectuelen in Italië en daarbuiten. We beschikken namelijk over meer dan 250 humanistische handschriften die indirect teruggaan op Petrarca’s afschrift van het verloren gegane handschrift uit Luik (zie De Keyser 2013 en De Keyser en Deneire 2013).
Er is geen overtuigend bewijs dat erop wijst dat de tekst van de Pro Archia in dit verloren gegane Luikse handschrift afweek van G en E. Het is mogelijk dat Petrarca het Luikse handschrift aantrof in de abdij van St. Jacques, die sinds de tijd van Olbert banden had met Gembloux, maar dit kunnen we niet met zekerheid weten.
Dit handschrift kan hetzelfde lot hebben ondergaan als vele andere boeken uit Luik: het werd mogelijk vernietigd in 1468, toen Karel de Stoute, hertog van Bourgondië, de stad belegerde en plunderde. Enkele jaren later, in 1471, verscheen in Rome de eerste gedrukte editie van Cicero’s redevoeringen, waaronder de Pro Archia, uitgegeven door Giovanni Andrea Bussi en gedrukt door Conrad Sweynheym en Arnold Pannartz.
Leonardo Costantini
Verdere literatuur
-
Babcock, R.G. et al., ‘The Gembloux Manuscript of Cicero’s Pro Archia,’ Codices manuscripti & impressi 146 (2023), 1–13.
- Keyser, J. de en Deneire, T., ‘A new stemma for Cicero’s Pro Archia,’ Eikasmos 24 (2013), 193–208.
- Keyser, J. de, ‘The Descendants of Petrarch’s Pro Archia,’ Classical Quarterly [new series] 63 (2013), 292–328.
- Maslowski, T. en Rouse, R., ‘Twelfth-Century Extracts from Cicero’s Pro Archia and Pro Cluentio in Paris B. N. MS Lat. 18104,’ Italia medioevale e umanistica 22 (1979), 97–122.
Discussievragen
-
Denk na over het verschil tussen primaire bronnen, zoals we die tegenwoordig doorgaans begrijpen, en handschriften. Kunnen moderne edities, in het origineel of in vertaling, terecht worden beschouwd als primaire bronnen? Zo ja, waarom? En welk belang hebben handschriften?
- Denk na over de rol van laatantieke en middeleeuwse kopiisten bij de overlevering van Cicero’s geschriften. Welke gespecialiseerde kennis is vereist om deze handschriften te lezen en met elkaar te vergelijken en om een tekst vast te stellen?
- Welke andere disciplines kunnen ons helpen om de overlevering van teksten en de geschiedenis van bibliotheken en scriptoria te begrijpen?