De receptie van Cicero’s Pro Archia: tussen Quintilianus en Petrarca
Als men aan antieke lezers zou hebben gevraagd een lijst op te stellen van Cicero’s beste redevoeringen, zouden maar weinigen de Pro Archia hebben opgenomen. Althans, dat is de indruk die we krijgen uit werken van auteurs uit de keizertijd. Quintilianus, die een groot bewonderaar van Cicero was en honderden keren uit diens redevoeringen citeerde in zijn didactische verhandeling De opleiding van de redenaar, gebruikt slechts twee korte citaten uit de Pro Archia.
Zijn tijdgenoot Tacitus schreef een korte dialoog over de toestand van de welsprekendheid onder de keizers. Een van de gesprekspartners zegt daarin dat de Pro Archia niet de reden was waarom Cicero zo’n groot redenaar was geworden. Om dat te begrijpen zouden lezers zich moeten wenden tot de redevoeringen tegen Catilina, de Philippische redevoeringen of de redevoeringen tegen Verres.
Toch weten we dat de redevoering op zijn minst op sommige scholen voor retorica werd gelezen. We beschikken over delen van een anoniem commentaar uit de vierde eeuw n.Chr. (dat uiteindelijk teruggaat op een verloren gegaan commentaar uit de tweede eeuw), dat bedoeld was voor meer gevorderde leerlingen. Dit zijn de zogenaamde Scholia Bobiensia: de naam is ontleend aan het beroemde klooster in Bobbio, waar het handschrift waarin deze teksten zijn overgeleverd, werd geschreven. Het commentaar begint met een korte inleiding (het argumentum – 'samenvatting') en biedt vervolgens voornamelijk commentaar in de vorm van uitleg bij afzonderlijke woorden of passages, vooral bij namen en enige historische context.
In de middeleeuwen lijkt de redevoering min of meer in de vergetelheid te zijn geraakt. Maar in 1333 herontdekte de jonge intellectueel Francesco Petrarca, die door latere generaties werd uitgeroepen tot 'de vader van het humanisme', in een klooster in Luik een handschrift van de redevoering dat tegenwoordig verloren is gegaan. Hij was buitengewoon enthousiast, kopieerde het onmiddellijk en verspreidde het onder zijn vrienden in Italië.
De vroege humanisten waren vooral gecharmeerd van het tweede deel van de redevoering, waarin Cicero verklaart dat literatuur en vooral poëzie van cruciaal belang zijn voor het functioneren van staten. Petrarca, die zelf een beroemd dichter was, gebruikte Cicero’s argumenten om zichzelf te presenteren als een intellectueel en als een dichter wiens dienst van cruciaal belang was om Italië en in het bijzonder de stad Rome opnieuw tot haar oude glorie te laten herrijzen.
In 1341 werd Petrarca op het Capitool in Rome tot poeta laureatus gekroond. In de redevoering die hij bij deze gelegenheid hield, de Collatio laureationis, citeert hij uit de Pro Archia wanneer hij benadrukt dat in de goede oude tijd generaals en heersers vaak bevriend waren met dichters.
Een dergelijke bewering was in zijn tijd allerminst vanzelfsprekend: middeleeuwse filosofen hadden dichters vaak bestempeld als leugenaars en immorele mensen, omdat zij zouden spreken over niet-bestaande goden of lezers zouden aanzetten tot verachtelijke erotische genoegens.
Petrarca’s vriend Giovanni Boccaccio nam Petrarca’s verdediging van de poëzie over in zijn Genealogie van de heidense goden (boeken 14–15), waarin hij dichters voorstelde als profeten van verborgen waarheden en als grondleggers van menselijke gemeenschappen. Aan het begin van de vijftiende eeuw deed de invloedrijke Florentijnse kanselier en humanist Coluccio Salutati hetzelfde. Beiden gebruikten bovendien het gezag van Cicero’s Pro Archia om hun standpunt kracht bij te zetten.
Als gevolg van deze en andere pogingen werd poëzie in de vijftiende eeuw opnieuw opgenomen in de canon van eerbiedwaardige disciplines. Professoren aan scholen en universiteiten gaven colleges over vele antieke en zelfs enkele vroegmoderne dichters, vooral over Dante’s Goddelijke Komedie en Petrarca’s Canzoniere, en veel belangrijke humanisten schreven zelf poëzie.
De heropleving van de Latijnse poëzie vanaf de vijftiende eeuw, met honderden epische gedichten en ontelbare verzamelingen elegieën, epigrammen en Horatiaanse lyriek, zou ondenkbaar zijn zonder Cicero’s Pro Archia. Daarnaast werd de redevoering een van de meest gelezen teksten in het schoolcurriculum, zowel vanwege haar beperkte lengte als vanwege haar aantrekkelijke onderwerp.
Als men daarom aan lezers uit de zestiende of zeventiende eeuw zou hebben gevraagd een lijst op te stellen van Cicero’s beste redevoeringen, zouden velen de Pro Archia hebben opgenomen. Een interessant voorbeeld van hoe de receptiegeschiedenis onze beoordeling van de oudheid kan veranderen!
Christoph Pieper
Verdere literatuur
-
La Bua, G., Cicero and Roman Education. The Reception of the Speeches and Ancient Scholarship, Cambridge, 2018.
- Looney, D., ‘The Beginnings of Humanistic Oratory. Petrarch’s Coronation Oration (Collatio laureationis)’, in V. Kirkham en A. Maggi (red.), Petrarch. A Critical Guide to the Complete Works, Chicago, 2009, 131–140.
- Pieper, C., ‘Cicero’s Pro Archia van oratiuncula tot canon. De herontdekking van Cicero’s Pro Archia door Francesco Petrarca’, Lampas 59.4 (2026), –.
Discussievragen
-
Humanisten waren gefascineerd door Cicero’s argument dat literatuur een onmisbaar onderdeel is van wat mensen werkelijk menselijk maakt. Verzamel de argumenten die Cicero voor deze bewering aanvoert.
- Giovanni Boccaccio schrijft in zijn Genealogie van de heidense goden 14.7 het volgende: 'Want poëzie, die de onverschilligen en onwetenden terzijde schuiven, is een zekere vurigheid in het voortreffelijk bedenken en uitspreken of opschrijven van wat men vindt. Deze poëzie komt, naar ik geloof, voort uit de boezem van God en wordt bij de schepping aan slechts enkele geesten geschonken; daarom [...] zijn dichters altijd zeer zeldzaam geweest.' En iets verder vervolgt hij: 'Men moet op zijn minst de beginselen van de vrije kunsten, de moraal en de natuurwetenschappen kennen; men moet bovendien over een goede woordenschat beschikken, de monumenten van onze voorouders hebben gezien, zich de geschiedenis van volkeren en gebieden, steden en de gesteldheid van zeeën, rivieren en bergen herinneren.' Vergelijk deze passage met Cicero’s argument in de Pro Archia: wat is hetzelfde en op welke punten gaat Boccaccio verder dan Cicero’s argument? En wat zou het effect van deze subtiele verandering kunnen zijn?
- Hoe relevant is wat de humanisten zeggen over de waarde van poëzie (en literatuur in het algemeen) voor onze moderne samenleving?
- Stel dat je Petrarca in de 21e eeuw was en de maatschappelijke en politieke relevantie van literatuur en/of kunst wilde benadrukken. Over wie zou je dan schrijven? En wat zou je over die persoon zeggen?