Natuurtalent of hard werken?

Toen de filosoof Peter Abelard in 1113 de colleges van Anselmus van Laon ging bijwonen, had hij enkele weinig vleiende woorden over voor de theoloog die door velen zo werd bewonderd. In Historia calamitatum 3 schrijft hij namelijk dat ‘het vuur van Anselmus het huis met rook vulde, in plaats van het te verlichten’, en dat ‘zijn boom weelderig was, maar alleen met bladeren, zeker niet met vruchten’. De metaforen van Abelard, die zo doeltreffend zijn, verwijzen vanzelfsprekend naar retorische vaardigheden. Wat ons hier echter interesseert, is de expliciete beschuldiging die hij tegen de magister uit: hij beschikte over veel oefening (usus) en zeer weinig creativiteit (ingenium).

Daarmee sloot Abelard zich aan bij een debat dat al in de klassieke oudheid zeer hevig werd gevoerd: in hoeverre beïnvloedt natuurlijk talent het succes – op cultureel gebied of elders – in vergelijking met oefening, studie en wat men ‘toewijding’ zou kunnen noemen?

Als we dit toepassen op school of leren in het algemeen: in hoeverre hebben aangeboren talenten invloed op schoolresultaten? Het is een veelvoorkomende ervaring dat sommige leerlingen snel en met minder moeite leren, maar dat weerhoudt degenen die minder aanleg voor een bepaald vak hebben er niet van om goede cijfers te behalen. Is natuurlijke aanleg dan niet noodzakelijk, maar hooguit een manier om ‘tijd en moeite te besparen’? Of zijn er vakken die ontoegankelijk zijn voor degenen die er ‘niet voor gemaakt zijn’, dat wil zeggen voor degenen die in een bepaald vakgebied geen ingenium bezitten? Of kan daarentegen iedereen in elk vak succesvol zijn als hij of zij zich er werkelijk voor inzet?

Dit zijn actuele vragen. En aangezien we het specifiek over het domein van studie hebben, kunnen we de bijdrage van de redenaar en eerste openbare leraar Marcus Fabius Quintilianus niet negeren. In zijn uitgebreide en omvattende handboek Institutio oratoria geeft hij, zoals gebruikelijk met grote helderheid, antwoord op deze kwestie.

Nadat hij heeft gesteld dat onderwijs en uitleg zonder aangeboren talent geen nut hebben (I, Voorwoord 26) – alsof men landbouwkundige handleidingen zou gebruiken op onvruchtbare grond – behandelt hij het onderwerp in Boek II (19). Hij concludeert daar dat zonder natuurlijke aanleg geen enkele techniek iets waardevols kan voortbrengen. Aan de andere kant kan een materia sine arte – materiaal zonder kunst of techniek – uit zichzelf goede resultaten opleveren. Het ideaal is een voortreffelijke kunst, gecombineerd met een goede natuurlijke aanleg, terwijl doctrina verschijnt als een factor die de begaafde persoon in staat stelt uitstekende niveaus te bereiken. Uiteindelijk is dit een herleving van de coniuratio amica die we aantreffen in Horatius’ Ars Poetica (Epistulae II 3, 411), in dit geval toegepast op de poëzie.

Al vóór Quintilianus en Horatius had Cicero een zeer vergelijkbaar standpunt verdedigd. In De oratore I 113 stelt hij dat natura atque ingenium vim maximam adferunt (‘natuurlijke aanleg en talent hebben de grootste invloed’). Het is de redenaar Licinius Crassus die hier aan het woord is en daarmee Cicero’s ideeën verwoordt. Cicero voegt eraan toe dat techniek zeker van nut kan zijn, maar dat het uiteindelijk gaat om het verbeteren van iets dat al goed is (bona die meliora worden), zoals hij al had betoogd in Pro Archia 15. Daar ligt de voorrang bij de natura, die ook zonder techniek veel kan bereiken, terwijl het omgekeerde moeilijker is.

We bevinden ons hier in de context van een verheerlijking van de verheven geest en van de goddelijke dimensie van de poëzie. Het is dan ook begrijpelijk dat de redenaar meer belang toekent aan aangeboren talenten. Deze hebben echter oefening, methode en inzet nodig om iets werkelijk subliems te bereiken: eigenschappen die de redenaar en politicus gedurende zijn hele leven met grote vastberadenheid verdedigde.

De auteurs gebruiken verschillende synoniemen, die grotendeels steeds terugkeren:

 Intelligentie 

Studie        

Ingenium

Ars

Natura

Doctrina

Materia

Studium

Ingenita adiumenta

Ratio

 

Praecepta

 

Usus

De vertaling van deze termen kan variëren, van een eenvoudige weergave als ‘intelligentie’ en ‘studie’ tot veel bredere betekenissen. Zo omvat ingenium bijvoorbeeld ‘natuurlijk talent, begaafdheid, aanleg’, terwijl ars onder meer ‘toepassing, inzet, leren, onderwijzen en verfijnde discipline’ kan betekenen.

  • Ingenium: via de stam gen is het verwant aan de woordfamilie rond ‘geboorte’ en ‘familie’. Het verwijst naar de essentie die iemand van zijn afkomst heeft geërfd, zowel in genetische zin als in termen van de sociale omgeving.
  • Doctrina: afgeleid van de stam van het werkwoord doceo (‘onderwijzen’), verwijst het naar alle aspecten van onderwijzen en leren en naar de technische uitwerking van kennis.
  • Ars: de etymologie is onzeker; het betekent ‘onderricht, regel’ en in het meervoud ‘theoretische verhandelingen’.
  • Praecepta: participium van praecipio, -is, -ere, ‘onderrichten’.
  • Ratio: een zeer breed begrip; in deze context betekent het ‘methode, toepassing’.

Luca Giancarli