Paragraaf 18
Quotiens ego hunc Archiam vidi, iudices, – utar enim vestra benignitate, quoniam me in hoc novo genere dicendi tam diligenter attenditis – quotiens ego hunc vidi, cum litteram scripsisset nullam, magnum numerum optimorum versuum de eis ipsis rebus quae tum agerentur dicere ex tempore, quotiens revocatum eandem rem dicere commutatis verbis atque sententiis! Quae vero accurate cogitateque scripsisset, ea sic vidi probari ut ad veterum scriptorum laudem perveniret. Hunc ego non diligam, non admirer, non omni ratione defendendum putem? Atque sic a summis hominibus eruditissimisque accepimus, ceterarum rerum studia ex doctrina et praeceptis et arte constare, poetam natura ipsa valere et mentis viribus excitari et quasi divino quodam spiritu inflari. Qua re suo iure noster ille Ennius ‘sanctos’ appellat poetas, quod quasi deorum aliquo dono atque munere commendati nobis esse videantur.
Quotiens ego hunc Archiam vidi, iudices,
- – utar enim vestra benignitate,
- quoniam me in hoc novo genere dicendi tam diligenter attenditis –
quotiens ego hunc vidi,
- cum litteram scripsisset nullam,
- magnum numerum optimorum versuum de eis ipsis rebus
- quae tum agerentur
- dicere ex tempore,
quotiens
- revocatum eandem rem dicere
- Quae vero accurate cogitateque scripsisset,
ea sic vidi probari
Hunc ego non diligam,
non admirer,
non omni ratione defendendum putem?
Atque sic a summis hominibus eruditissimisque accepimus,
- ceterarum rerum studia ex doctrina et praeceptis et arte constare,
- poetam natura ipsa valere
- et mentis viribus excitari
- et quasi divino quodam spiritu inflari.
Qua re suo iure noster ille Ennius ‘sanctos’ appellat poetas,
- quod quasi deorum aliquo dono atque munere commendati nobis esse videantur.
Dikwijls heb ik Archias gezien, heren juryleden – ik maak van uw instemming gebruik omdat u zo aandachtig naar mij luistert bij dit ongebruikelijke pleidooi –, dikwijls heb ik gezien hoe Archias, ook al had hij geen woord opgeschreven, een groot aantal prachtige verzen over actuele gebeurtenissen improviseerde, hoe hij, teruggeroepen, hetzelfde onderwerp bezong met andere woorden en denkbeelden. Wat hij echter met veel zorg en voorbereiding had neergeschreven, vond – naar ik zag – zoveel erkenning dat hij de roem van de klassieke schrijvers evenaarde. Moet ik deze man dan niet beminnen, bewonderen, het niet tot mijn plicht achten hem hoe dan ook te verdedigen? Wij hebben van beroemde en geleerde mensen geleerd: alle andere beroepsvaardigheden berusten op scholing, regels, techniek, alleen de dichter put zijn vermogen uit natuurlijke aanleg, wordt door innerlijke krachten aangevuurd en door een goddelijk te noemen bezieling geïnspireerd. Terecht worden dichters door onze beroemde Ennius ‘heilig’ genoemd omdat zij ons als een dierbare gave der goden zijn geschonken.
Als uitroep gebruikt.
Complement bij utar (uti gaat met de ablativus).
'Uit het hoofd, geïmproviseerd’.
Deze a.c.i.is nog steeds afhankelijk van vidi.
commutatis... sententiis: een ablativus instrumentalis.
Dit is het antecedent van de quae-bijzin die eraan voorafgaat.
ut... perveniret: een gevolgzin (consecutief) met sic als antecedent.
Net als bij admirer en putem is hier sprake van een coniunctivus dubitativus.
= Quare: ‘Om deze reden’.
Predicatief gebruikt.
Ablativus instrumentalis bij commendare.
Hier beargumenteert Cicero dat Archias bewonderd moet worden door middel van een syllogisme. De premisse maior is hiervoor al uitgewerkt in §14-17, namelijk dat alle dichters moeten worden bewonderd en beschermd. De premisse minor staat in deze zin, waaruit blijkt dat Archias een uitzonderlijk dichter is. De conclusie staat in de zin erna: Hunc ego... putem?, versterkt door een a fortiori-argument: Ik moet Archias bewonderen en beschermen, omdat hij ook nog een buitengewone dichter is.
Quotiens: een opvallend tricolon en anafoor, die de overgang van de premisse maior (lof van de literatuur) naar premisse minor (Archias is een dichter) versterken.
In combinatie met de naam Archias is dit een opvallend aanwijzend voornaamwoord. Cicero zal een groot handgebaar gemaakt hebben om zijn cliënt te wijzen die hij aanhaalt als ideaal voorbeeld voor de algemene lofprijzing op literatuur die hij in de paragrafen hiervoor heeft gegeven.
utar enim... attenditis: dit is een terugverwijzing naar de captatio benevolentiae van §3 (zie ook inhoud).
De herhaling van deze woorden herinnert aan het mondelinge karakter van de tekst en benadrukt tegelijkertijd Cicero's rol als iemand die garant staat voor Archias' uitzonderlijkheid (hij gebruikt hier nadrukkelijk zijn eigen ethos).
Sterke tegenstelling van de contrasterende termen door middel van een asyndeton. De zin bevat tevens een chiasme met litteram nullam en magnum numerum optimorum uersuum.
In de tweede colon met quotiens staat de infinitivus laat, in het derde vroeg in de zin; door deze (elegante) variatie krijgt de handeling van Archias' publieke lezing, die zo veel indruk op Cicero maakte, extra nadruk.
Eandem staat tegenover commutatis, en rem tegenover verbis.
Dit is een tricolon crescens met admirer en putem die drie retorische vragen bevat.
Een tricolon die met het tweede tricolon natura, mentis viribus, divino spiritu het enorme contrast markeert tussen poëzie en alle andere disciplines.
Noster impliceert dat de rechters en Cicero zelf tot dezelfde gemeenschap van eruditi behoren. Door via een literaire verwijzing een gemeenschappelijke basis met de rechters te creëren, versterkt Cicero tegelijkertijd zowel zijn eigen ethos als dat van de rechters.
Een hendiadys gevormd door twee synoniemen met een nadrukkelijk doel.
Cicero's favoriete clausula markeert het einde van de alinea.
Deze clausula bestaat uit een creticus (waarbij het laatste element bestaat uit twee korte lettergrepen in plaats van één lange: - u uu) plus een trochee (- X). (Quintilianus bekritiseerde in Institutio oratoria 10.2.18 latere navolgers van Cicero, die dachten dat het voldoende was om esse videa(n)tur aan het eind van een zin te zetten om als Cicero te klinken.)
Cicero herinnert zijn publiek eraan dat hij een buitengewone manier van spreken toepast, zie ook §3.
De irrealis contrasteert met het improvisatietalent; misschien was Archias een beetje te lui om al zijn ideeën ook echt tot gedichten uit te werken? In ieder geval is dit een interessante passage als we eraan denken dat Cicero als dank voor zijn verdediging een lofdicht van Archias wilde dat hij deze echter nooit blijkt te hebben geschreven.
Cicero beschrijft hier op interessante wijze het talent van Archias door te verwijzen naar wat een goede orator moet kunnen: de uitdrukking dicere ex tempore draait volledig om improviseren, en de uitdrukking over actuele gebeurtenissen creëert een dubbelzinnigheid over waar Cicero het precies over heeft; de woorden die hij gebruikt slaan zeker een brug tussen redenaars en dichters, aangezien beiden een rol spelen in het maatschappelijk veld.
In zijn werk Orator 113 lezen we dat Cicero ook over improviseren spreekt: facultatem fuse lateque dicendi, wat doet denken aan cum litteram scripsissem nullam magnum numerum optimorum versuum de iis ipsis rebus quae tum agerentur dicere ex tempore.
Blijkbaar was Archias er erg goed in om gedichten te improviseren (misschien een beetje zoals hedendaagse rappers). Dit was in zijn tijd een populair kunstje: we weten van Horatius dat de satirische dichter Lucilius meerdere honderd verzen per uur kon improviseren stans pede in uno (‘op één been staand, oftewel ‘met het grootste gemak’).
Revocare is de technische term voor het terugroepen van een artiest voor een toegift.
In het Latijn gebruikt Cicero twee keer het werkwoord dicere voor een publieke lezing van een dichter (i.p.v. bijv. recitare), waarmee hij benadrukt Cicero dat een dichter en een redenaar wat betreft de voordracht (actio) vergelijkbaar zijn. Dit sluit goed aan bij het eerder gemaakte punt dat Archias een belangrijke 'leraar' voor Cicero geweest is (zie §1).
De vergelijking met de oude dichters is vanuit Romeins perspectief de hoogste vorm van lof: Cicero's tijd wordt dus gekenmerkt door een sterk gevoel van classicisme (iets wat we ook kennen uit het Augusteïsche tijdperk).
Hiermee verwijst Cicero naar het klassieke debat of disciplines zoals welsprekendheid en literatuur steunen op techniek (et doctrina et praeceptis et arte) of op natuurlijke aanleg (natura ipsa valere, et mentis viribus excitari, et quasi divino quodam spiritu inflari).
Cicero verwijst hier naar Democritus, wiens opvatting van de goddelijk geïnspireerde dichter genoemd wordt in De oratore 2.194, en tevens naar Plato's Ion.
Nadat Francesco Petrarca de redevoering in 1333 had teruggevonden, werd de theorie van de goddelijk geïnspireerde dichter bijzonder invloedrijk voor de Italiaanse Renaissance (bijvoorbeeld het Neoplatonisme van de Florentijn Marsilio Ficino) en zorgde ervoor dat poëzie weer een gerespecteerde discipline werd die door de meest vooraanstaande intellectuelen werd beoefend (zie essay receptie).
Quintus Ennius (239-169 v.Chr.) wordt beschouwd als de vader van de Latijnse poëzie (zijn epische gedicht Annales werd door elke Romeinse scholier bestudeerd, totdat Vergilius' Aeneis deze plaats zou innemen). Hij had een nauwe band met Scipio Africanus en werd zelfs in het familiegraf van de Scipiones begraven. Bovendien kreeg Ennius, als geboren inwoner van het huidige Apulië, vanwege zijn literaire faam het Romeinse burgerschap. Hij is een van de veteres scriptores die eerder in deze paragraaf genoemd werden.
Het werk van Ennius is alleen in fragmenten bewaard gebleven, geciteerd door latere auteurs. In de overgeleverde fragmenten vinden we geen vers dat precies dit zegt; maar Cicero kende destijds uiteraard nog het volledige werk van Ennius.