Paragraaf 3
Sed ne cui vestrum mirum esse videatur, me in quaestione legitima et in iudicio publico, cum res agatur apud praetorem populi Romani, lectissimum virum, et apud severissimos iudices, tanto conventu hominum ac frequentia hoc uti genere dicendi quod non modo a consuetudine iudiciorum verum etiam a forensi sermone abhorreat, quaeso a vobis ut in hac causa mihi detis hanc veniam adcommodatam huic reo, vobis, quem ad modum spero, non molestam, ut me pro summo poeta atque eruditissimo homine dicentem hoc concursu hominum literatissimorum, hac vestra humanitate, hoc denique praetore exercente iudicium, patiamini de studiis humanitatis ac litterarum paulo loqui liberius, et in eius modi persona quae propter otium ac studium minime in iudiciis periculisque tractata est uti prope novo quodam et inusitato genere dicendi.
- Sed ne cui vestrum mirum esse videatur,
- me in quaestione legitima et in iudicio publico,
- cum res agatur apud praetorem populi Romani, lectissimum virum, et apud severissimos iudices,
- tanto conventu hominum ac frequentia hoc uti genere dicendi
- quod non modo a consuetudine iudiciorum verum etiam a forensi sermone abhorreat,
- me in quaestione legitima et in iudicio publico,
- ut in hac causa mihi detis hanc veniam adcommodatam huic reo, vobis,
- quem ad modum spero,
- non molestam,
- ut me
- pro summo poeta atque eruditissimo homine dicentem
- hoc concursu hominum literatissimorum, hac vestra humanitate,
- hoc denique praetore exercente iudicium,
- patiamini
- de studiis humanitatis ac litterarum paulo loqui liberius,
- et in eius modi persona
- quae propter otium ac studium minime in iudiciis periculisque tractata est
- uti prope novo quodam et inusitato genere dicendi.
Maar opdat niemand van u zich erover verbaast dat ik bij een justitieel onderzoek in een openbaar gerechtshof, bij een proces dat ten overstaan van de edelachtbare praetor van het Romeinse volk, voor zeer gestrenge juryleden en onder grote belangstelling van het samengestroomde publiek wordt gevoerd, een spreektrant bezig die niet alleen indruist tegen de juridische praktijk maar ook tegen het reguliere taalgebruik, vraag ik u om in dit proces mij toestemming te verlenen – die in overeenstemming is met de status van de beklaagde en die u hopelijk niet zult betreuren – dat ik, nu ik voor een beroemd dichter en geleerde een pleidooi houd en gezien de toeloop van het zeer literair gevormde publiek, gezien uw eigen opleidingsniveau en gezien het feit dat deze praetor president van de rechtbank is, met uw permissie over het onderwerp beschaving en literaire vorming iets openhartiger spreek en in het bijzijn van een persoon die door zijn teruggetrokken studieuze leven nooit in riskante processen verwikkeld is geraakt, een in bepaald opzicht nieuwe en ongebruikelijke stijl hanteer.
Genitivus partitivus van het persoonlijk voornaamwoord vos.
Hier ‘tot het gebied van de rechtspraak behorend’.
Cum zin met causale waarde.
Rem agere: in juridische context ´een rechtszaak behandelen´.
Infinitivus van de a.c.i. beginnend met me (afhankelijk van miretur).
Dit is de hoofdzin.
Hanc veniam: object van de zin. Het fungeert tevens als antecedent van ut patiamini.
‘Aangeklaagde’ (< reus).
Ut ... patiamini: explicatieve ut-zin (‘namelijk dat’).
Subjectsaccusativus in a.c.i. afhankelijk van patiamini (de infinitivi staan heel laat: loqui en uti).
Predicatief gebruikt (‘terwijl ik spreek’).
Bijwoord bij de bijwoordelijke comperativus liberius.
Een bijzin van de vierde graad, een relatieve bijzin in de indicativus (tractata est, perfectum passief). Het relatieve voornaamwoord quae verwijst naar een persoon.
Complement in de ablativus bij het werkwoord utor.
Een retorische figuur die symmetrisch is aan die waarmee paragraaf 2 begint. Waarom zou Cicero die herhalen?
Lectissimum (virum) … severissimos (iudices) … summo (poeta) … eruditissimo (homine) … (hominum) litteratissimorum: veelvuldig gebruik van de overtreffende trap. Wat zou de reden hiervoor kunnen zijn? Bovendien lijken de laatste twee bijvoeglijke naamwoorden te anticiperen op de betekenis van humanitas als ‘cultuur’, een betekenis die volledig tot uiting komt in de uitdrukking studia humanitatis ac litterarum.
Hendiadys om de enorme publieke aandacht voor deze zaak te benadrukken. Het claimen van een dergelijke algemene aandacht helpt Cicero bij het argument dat hij later zal aanvoeren: dat poëzie en dichters van cruciaal belang zijn voor de samenleving.
accomodatam huic reo … vobis non molestam: chiasme.
Huic reo … hoc concursu hominum literatissimorum … hac … humanitate … hoc … praetore: opvallend gebruik van aanwijzende voornaamwoorden om alle betrokken partijen te benadrukken – de verdachte, de verzamelde menigte, de rechters (hier opgeroepen door een van hun kwaliteiten, namelijk humanitas) en ten slotte de praetor.
Een beladen term, vaak gebruikt voor het recht zijn mening vrijuit de spreken; hier bedoelt Cicero echter dat hij van de gangbare regels voor juridische speech zal afwijken (zie commentaar onder inhoud). De alliteratie litterarum loqui liberius geeft de term grote nadruk.
Letterlijk verwijst het naar het masker dat acteurs in het theater dragen. Cicero gebruikt de term figuurlijk om de status en maatschappelijke positie te benadrukken die Archias als dichter en cultuurman genoot. Maar de theatrale associatie is niet geheel afwezig: Archias vertegenwoordigt een type man dat men normaal gesproken niet in de rechtbank zou verwachten.
Hendiadys; Cicero verbeeldt met de syntactisch complexe zin in deze paragraaf het nieuwe type stijl (novum et inusitatum genus) dat hij in deze speech wil gebruiken. De complexiteit laat de welsprekendheid zien, waarover hij het in de eerste twee paragrafen al had. De zin is ook voor een native speaker bij het luisteren moeilijk te volgen en lijkt eerder op een literaire tekst dan op een gesproken speech.
De uitdrukking iudicium publicum verwijst naar een specifiek type proces, voorbehouden aan zaken van publiek recht (binnen de jurisdictie van een juridische quaestio perpetua, zie hieronder), in tegenstelling tot iudicium privatum (binnen de jurisdictie van de stedelijke praetor). In het proces tegen de dichter Archias, beschuldigd van het schenden van de lex Papia (64 v.Chr.), is de benadeelde partij de res publica.
De praetor zat een quaestio perpetua voor, dat wil zeggen een permanent tribunaal dat zich toelegde op specifieke rechtsgebieden. Zie essay strafrechtspraak.
De praetor die deze rechtbank voorzat was Quintus Tullius Cicero, broer van Marcus, aan wie Cicero’s werken De legibus en De oratore waren opgedragen, en aan wie ook talrijke brieven van Cicero gericht zijn.
Hij was gouverneur van Asia van 61 tot 59 v.Chr., legaat van Pompeius in Sardinië van 57 tot 56 v.Chr. en legaat van Caesar tijdens de veldtocht in Gallië van 54 tot 51 v.Chr. Hij onderscheidde zich zowel door zijn politieke rol als door zijn culturele achtergrond en koesterde tevens literaire ambities (aan hem wordt een kort traktaat toegeschreven, bekend als Commentariolum petitionis [Hoe je verkiezingen wint], over de kandidatuur van zijn broer Marcus voor het consulaat).
In de oudheid maakte men een onderscheid tussen drie soorten redevoeringen: juridische speeches (genus iudiciale), politieke speeches (genus deliberativum) en gelegenheidsspeeches (genus demonstrativum). Cicero’s speech is niet alleen een juridische speech. In het tweede deel lijkt zij veeleer op een lof op de waarde van poëzie en dus op een speech die bij het genus demonstrativum hoort. Bij deze stijl hoort veel retorische opsmuk en het aanwakkeren van emoties.
In de tijd van deze speech werd in Rome de hellenistische Griekse poëzie steeds populairder, die het ideaal van de geleerde dichter (poeta doctus) propageerde. M.n. de dichter Catullus schreef dit soort poëzie. Ook Archias wordt hier als zo’n geleerde dichter voorgesteld.
Herhaling; door een tweede keer te benadrukken hoe ongekend de stijl van de speech zal zijn, maakt Cicero zijn toehoorders extra aandachtig en nieuwsgierig.
Litotes; cf. §1 voor de ingetogenheid die Cicero in het hele inleidende gedeelte gebruikt.
Na de introductie van de term humanitas in §2 (zie het commentaar daar), specificeert Cicero nu dat hij er in de rest van de rede zeer specifiek naar zal verwijzen als de culturele verfijning die verbonden is met poëzie en literatuur in het algemeen.
Deze verdedigingsrede is beroemd vanwege de verdediging van de waarde van literatuur en cultuur (merk op dat Geesteswetenschappen in het Engels Humanities worden genoemd). Humanitas in deze betekenis sluit ook aan bij het Griekse concept van paideia.