Paragraaf 1
Si quid est in me ingeni, iudices, quod sentio quam sit exiguum, aut si qua exercitatio dicendi, in qua me non infitior mediocriter esse versatum, aut si huiusce rei ratio aliqua ab optimarum artium studiis ac disciplina profecta, a qua ego nullum confiteor aetatis meae tempus abhorruisse, earum rerum omnium vel in primis hic A. Licinius fructum a me repetere prope suo iure debet. Nam quoad longissime potest mens mea respicere spatium praeteriti temporis et pueritiae memoriam recordari ultimam, inde usque repetens hunc video mihi principem et ad suscipiendam et ad ingrediendam rationem horum studiorum exstitisse. Quod si haec vox huius hortatu praeceptisque conformata non nullis aliquando saluti fuit, a quo id accepimus quo ceteris opitulari et alios servare possemus, huic profecto ipsi, quantum est situm in nobis, et opem et salutem ferre debemus.
- Si quid est in me ingeni, iudices,
- quod sentio
- quam sit exiguum,
- quod sentio
- aut si qua exercitatio dicendi,
- in qua me non infitior mediocriter esse versatum,
- aut si huiusce rei ratio aliqua
- ab optimarum artium studiis ac disciplina profecta,
- a qua ego nullum confiteor aetatis meae tempus abhorruisse,
- ab optimarum artium studiis ac disciplina profecta,
earum rerum omnium vel in primis hic A. Licinius fructum a me repetere prope suo iure debet.
- Nam
- quoad longissime potest mens mea respicere spatium praeteriti temporis et pueritiae memoriam recordari ultimam,
- inde usque repetens
hunc video mihi principem
- et ad suscipiendam et ad ingrediendam rationem horum studiorum exstitisse.
- Quod si haec vox
- huius hortatu praeceptisque conformata
- non nullis aliquando saluti fuit,
- a quo id accepimus
huic profecto ipsi,
- quantum est situm in nobis,
et opem et salutem ferre debemus.
Heren juryleden, als er in mij enig talent steekt – ik besef hoe gering het is – of enige spreekervaring – ik ontken niet een bescheiden ervaring te bezitten – of enig intellectueel en oratorisch inzicht, vrucht van studie en onderricht op het gebied van de hoogste kunsten en wetenschappen – ik beken dat ik geen moment van mijn leven hiervan afkerig ben geweest –, dan mag voor al deze verworvenheden mijn cliënt Aulus Licinius beslist als eerste bijna rechtmatig een beloning van mij terugvorderen. Want voor zover ik in mijn geest over het tijdperk van het verleden kan terugblikken en de diepste herinnering aan mijn vroegste jeugd kan terugroepen, van het verste punt teruggaand tot de dag van vandaag, zie ik hoe hij voor mij zich de leidsman betoond heeft om de weg van deze studie te betreden en aan te vangen. Indien echter onze stem, door zijn aansporingen en voorschriften gevormd, ooit aan enig mens bescherming heeft geboden, dan moeten wij zeker aan deze man, van wie wij datgene hebben ontvangen waarmee wij anderen kunnen helpen en redden, hulp en bijstand bieden voor zover dit in ons vermogen ligt.
Samen met de volgende twee voorwaardelijke zinnen (si qua... si huiusce) vormt dit een tricolon waarvan de elementen in climax zijn geplaatst. De drie bijzinnen introduceren drie relatieve bijzinnen die ook in een tricolon zijn gerangschikt (quod...in qua...a qua). De sleutelwoorden in deze zin zijn: talent, oefening, theorie (ingenium, exercitatio, ratio).
Genitivus partitivus, afhankelijk van het onzijdige onbepaalde voornaamwoord quid.
Talent (ingenium) duidt op natuurlijk talent – een aangeboren gave die niet door onderwijs kan worden verworven. Cicero dacht vaak na over de relatie tussen talent en training in welsprekendheid, met name in zijn De oratore (bijv. 1.113-117).
Hendiadys (zie lijst van stijlfiguren).
Aliquid / aliqua (‘na si, nisi, num en ne gaat ali niet met quisje mee’).
Quod leidt een betrekkelijke bijzin in, maar is tegelijkertijd ook subject in de daarvan afhankelijke zin vraagzin met quam. Je kunt het het beste dubbel vertalen: 'waarvan ik merk hoe klein het is'.
Aliquid / aliqua (‘na si, nisi, num en ne gaat ali niet met quisje mee’).
In zinnen die parallellisme vertonen, vermijdt Cicero herhaling van woorden die in alle delen hetzelfde blijven (hier: est).
Het partikel -ce versterkt het aanwijzend voornaamwoord huius.
Vaak ‘theorie’.
Participium perfectum passief van het deponent werkwoord proficiscor.
Een bijwoord dat de superlativus in primis versterkt – geen disjunctief nevenschikkend voegwoord.
'Zolang als'.
‘Vanaf het begin tot vandaag’.
Hoort bij ad ingrediendam rationem.
'Maar als'.
Dubbele dativus. Het dativus-complement (non nullis) wordt verbonden met de dativus finalis (saluti).
Het betrekkelijke voornaamwoord wijst niet terug, maar vooruit (hoort bij huic).
De coniunctivus in de betrekkelijke bijzin heeft een consecutieve/definiërende betekenis.
EXORDIUM
Cicero's speech begint met een exordium dat een captatio benevolentiae bevat (zie essay delen van een speech): het winnen van de welwillendheid. De advocaat van de beschuldigde partij tracht de stemming van het publiek in zijn voordeel om te buigen door het aandachtig te maken (attentum parare), welwillend (benevolum parare) en volgzaam (docilem parare), de eigen zwakheid of beperktheid in het licht te stellen (bescheidenheidsformule) of de aangesprokenen (de juryleden) te prijzen.
Ingeni … quod sentio quam sit exiguum: wat denk jij dat Cicero hier over zichzelf probeert te vertellen? Meent hij dat hij een exiguum ingenium heeft? Wat wil Cicero met deze uitspraak?
Litotes, wat de bescheidenheid van de zin benadrukt (cf. exiguum ingenium).
Chiasme van drie elementen. De syntactische volgorde is: werkwoord (respicere), accusativus (spatium), genitivus (praeteriti temporis), genitivus (pueritiae), accusativus (memoriam) werkwoord (recordari).
Memoriam recordari: pleonastisch uitgedrukt. Hiermee wordt het thema memoria alvast geïntroduceerd dat later in de speech een grote rol zal spelen (poëzie als garantie dat grote daden herinnerd zullen worden).
Respicere … recordari …. repetens: drie woorden die met re- beginnen, een prefix dat herhaling benadrukt. Cicero benadrukt zo dat hij (zogenaamd) vaak met dankbaarheid aan het voorbeeld denkt dat Archias voor hem was.
Hyperbool. Archia was niet een van Cicero's belangrijkste leraren, maar hij wordt wel beschreven als de belangrijkste gids die de auteur aanspoorde tot de studie van de optimae artes.
Pluralis majestatis, zoals ook de volgende possemus, debemus, in nobis.
Rome kende een juryrechtspraak, dus geen professionele rechters. Het waren senatoren die hun beschikbaarheid konden opgeven en dan per loting bepaald werden. Zie essay strafrechtspraak en de video van Elsemieke Daalder.
Voor Cicero (net als voor Cato de Oudere) is de redenaar een vir bonus dicendi peritus, een definitie die praktische ervaring vereist.
Cicero verwijst naar de artes liberales, een cyclus van studies die (vrije) mannen op scholen volgden en die de basis vormden voor de opleiding van de redenaar. In de Middeleeuwen werden de artes liberales verdeeld in het Trivium (grammatica, retorica en dialectiek) en het Quadrivium (rekenkunde, meetkunde, astronomie en muziek).
Aulus Licinius Archias, een zeer beroemde en succesvolle dichter. Zie het achtergrondessay voor meer informatie over zijn carrière. Cicero vermeldt de praenomen en nomen van Archias, die hij verkreeg door adoptie door Licinius Lucullus, en laat de Griekse cognomen weg om zijn status als civis Romanus en zijn recht op het Romeinse burgerschap te benadrukken.
Cicero's stem. In veel speeches tijdens en na zijn consulaat verwijst Cicero naar zijn stem als hij over zijn daden spreekt: zijn stem heeft Catilina in ballingschap gestuurd enz. Kun je een reden verzinnen waarom hij dat zou doen?
Verwijzing naar andere zaken die Cicero door zijn welsprekendheid won.
Een aanwijzend voornaamwoord, waarmee Cicero de fysieke aanwezigheid van Archias in de rechtbank aangeeft.