Onopgeloste tekstproblemen in de Pro Archia
Kritische edities zijn specifieke filologische werken die erop gericht zijn de tekst van een geschrift, die via handschriften aan ons is overgeleverd, zo dicht mogelijk bij het origineel te reconstrueren. De oorspronkelijke teksten, die door antieke auteurs zijn geschreven of gedicteerd, zijn voor ons verloren gegaan en kunnen niet worden teruggevonden. Om dit doel te bereiken, moeten teksteditors daarom drie opeenvolgende stappen doorlopen:
- Ten eerste moeten zij alle beschikbare handschriften identificeren en de onderlinge verwantschap vaststellen, om de meest betrouwbare te kunnen selecteren. Deze fase staat bekend als recensio. In het geval van de Pro Archia heeft dit vooral geleid tot de identificatie van de handschriften GEX. In Leonardo Costantini’s essay Tekstoverlevering kan men de geschiedenis van de overlevering van de redevoering en van deze handschriften volgen.
- Vervolgens moeten zij woord voor woord beoordelen welke lezing de voorkeur verdient wanneer de handschriften niet overeenstemmen, hetzij omdat zij verschillende lezingen (ook wel varianten genoemd) bieden, hetzij omdat de vorm en betekenis hoe dan ook onzeker zijn (examinatio).
- Ten slotte kunnen teksteditors, wanneer zij niet tevreden zijn met de lezing(en) van de handschriften, ingrijpen en deze corrigeren. Dat kunnen zij doen door een conjectuur voor te stellen — zelf of in navolging van een andere geleerde — of door de passage met een kruis (†, crux desperationis) te markeren om aan te geven dat de tekst onherstelbaar corrupt is (divinatio).
Voor de Pro Archia wachten we op een nieuwe, moderne en geactualiseerde kritische editie van Leonardo Costantini. In de tussentijd blijven twee twintigste-eeuwse edities de belangrijkste referentiepunten: die van A. Clark (1911), die door Europa Ciceroniana wordt gebruikt, en die van H. Kasten (1963). Daarnaast zijn er twee recentere commentaren: het meer analytische commentaar van A. Coşkun en het toegankelijkere commentaar van F. Stok, dat op studenten is gericht.
Hieronder bespreken we de belangrijkste loci desperati (i.e., passages waarin de Latijnse tekst onzeker is); zulke passages komen vaker voor in het laatste deel van de redevoering.
§ 4 coepit: Kasten drukt de handschriftlezing contigit af, terwijl Clark, gevolgd door Stok, terecht de conjectuur coepit verkiest, omdat dit het enige voorbeeld zou zijn van contingo + infinitivus van vóór de poëzie van de Augusteïsche tijd.
§ 5 et Tarentini <et Locrenses> et Regini: et Locrenses komt niet in de handschriften voor. Clark voegde het in zijn editie toe, omdat Cicero in § 10 opnieuw dezelfde steden om dezelfde reden noemt en daarbij ook Locri vermeldt. De toevoeging is hier echter overbodig, niet in de laatste plaats omdat de volgorde in § 10 anders is (Reggio, Locri, Napels, Tarente).
§ 5 dedit etiam hoc non solum <lumen>: Dit is een aanvulling van Clark; de handschriften lezen sed etiam hoc non solum, een lezing die door sommige commentatoren wordt verdedigd. Er zijn ook andere conjecturen voorgesteld, zoals sed iam hoc non solum; Kasten voegt na virtutis <gratia> in. De syntaxis van deze passage blijft onduidelijk; ook favit is een conjectuur ter vervanging van GE’s fuerit.
§ 8 Heraclīae esse: Deze conjectuur van de zestiende-eeuwse geleerde Denis Lambin, overgenomen door Clark, verdient de voorkeur boven de handschriftlezing Heracliensem (‘men zegt dat deze man als burger van Heraclea stond ingeschreven’). Kasten aanvaardt die laatste lezing, ondanks het kleine spellingverschil ī/ē met het eerder in de passage voorkomende Heracleaene.
§ 9 His igitur <in>: Clark neemt deze aanvulling over, terwijl Kasten de handschrifttekst volgt, waarin in ontbreekt. Grammaticaal is het echter moeilijk om hier iets anders te zien dan een plaatsbepaling, waarvoor in + ablativus nodig is. Een betere oplossing zou evenwel <In> his igitur zijn: deze woordvolgorde komt bij Cicero vaker voor en de weglating van in is gemakkelijker te verklaren als vereenvoudiging van een reeks sterk op elkaar lijkende letters, dixer)itinhisi(gitur. Daarbij moet men bedenken dat in antieke, laatantieke en vroegmiddeleeuwse handschriften vrijwel nooit spaties tussen woorden werden aangebracht (scriptio continua).
§ 10 gratuīto: De handschriften geven ofwel dit woord, ofwel gravat in, wat nergens op slaat (letterlijk: ‘verzwaart in’), of zelfs beide lezingen samen, waarbij de ene wordt voorafgegaan door vel. Dit suggereert dat ze al in de oudheid als varianten naast elkaar in de handschriften voorkwamen. De verbetering van gravat in tot het bijwoord gravatim (‘met moeite’), die Kasten aanvaardt, is stilistisch elegant, maar semantisch onhoudbaar: Cicero bedoelt juist het tegenovergestelde (<haud> gravatim, ‘zonder moeite’, waarvoor eveneens is gepleit). Ook Stoks schrapping van de hele passage, waarbij hij praeditis civitatem leest, moet worden verworpen. Kortom: Clarks keuze om gratuīto te handhaven is zonder twijfel de verstandigste.
§ 13 id eo: Dit is een correctie die Clark overneemt voor het hoc adeo dat in de handschriften staat. Bij Cicero zou hoc adeo echter een hapax legomenon zijn (een vorm die slechts één keer voorkomt en dus geen parallellen heeft), terwijl id eo op vier andere plaatsen in het werk van Cicero is aangetroffen. Een nog spaarzamere correctie zou hoc eo zijn (hoc [ad]eo), dat Cicero op zes plaatsen gebruikt.
§ 15 sine doctrina et: De meeste handschriften hebben et vóór sine; Kasten aanvaardt deze constructie, maar om inhoudelijke redenen verdient de door Clark overgenomen conjectuur de voorkeur. Daarbij wordt het voegwoord verplaatst. Volgens de handschrifttekst zou Cicero eerst het voor de hand liggende stellen (namelijk dat er veel deugdzame mensen zijn) en vervolgens binnen dezelfde zin hetzelfde begrip tweemaal herhalen (sine doctrina = naturae habitu). In de tekst die wij hier volgen, is de redenering daarentegen helder en consistent met de hele paragraaf: men kan virtus en gravitas bezitten zonder doctrina, en uitsluitend dankzij de aanleg die door natura is gegeven.
§ 20 praeconium facile patiatur: Dit geval is vanuit methodologisch oogpunt interessant. In alle belangrijke handschriften is de woordvolgorde omgekeerd, wat een dactylus + trochee clausula oplevert. Kasten aanvaardt de handschriftelijke woordvolgorde, maar die wordt in proza doorgaans vermeden omdat zij samenvalt met het einde van een hexameter: praeconiūm pătĭātur (zie het essay Clausulae). Clark en andere teksteditors volgen daarom de volgorde van een secundair handschrift, met een reeks van vijf korte syllaben, een zeldzame maar door antieke auteurs gewaardeerde constructie: făcĭlĕ pătĭātur.
§ 21 natura et regione: Qua betekenis lijkt Clarks op een conjectuur gebaseerde tekst de voorkeur te verdienen boven naturae regione (‘vanuit de geografische ligging van zijn natuur’) in GE, die Kasten afdrukt. De handschriften bevatten ook de banale vereenvoudiging natura regionis, die Stok overneemt, en de corrupte lezing natura regione, die geen betekenis heeft.
§ 22 ipse qui laudatur: Deze lezing staat in de belangrijkste handschriften en wordt door de tekstbezorgers overgenomen; ze verdient ongetwijfeld de voorkeur. Volgens deze lezing is Ennius’ lof uitsluitend op Scipio gericht. In latere handschriften staat de variant ipsi qui laudantur, waarbij de lof niet alleen Scipio, maar ook alle aanwezige personen op wie de lofrede betrekking heeft, zou omvatten.
§ 23 quo hominum nostrorum: Wij drukken de conjectuur af die ook Clark aanvaardt, in plaats van de handschriftlezing quo minus manuum nostrarum, die Kasten volgt. De vertaling daarvan zou zijn: ‘we moeten hopen dat roem en glorie die plaatsen bereiken waar de armen van onze handen (= onze macht, ons gezag) het minst ver zijn doorgedrongen’. De betekenis van quo hominum nostrorum lijkt beter: als Cicero verwijst naar de faam van de Latijnse literatuur, kan die volkeren bereiken die nog niet zijn veroverd. Als hij daarentegen verwijst naar het gebruik van de Latijnse taal, is het zeer onwaarschijnlijk dat een volk een vreemde taal zou overnemen zonder eerst te zijn veroverd; in dat geval zou Kastens tekst geen zin hebben. Er zijn andere conjecturen geprobeerd. De eenvoudigste daarvan is het schrappen van minus, dat in sommige recentere handschriften voorkomt en in de negentiende eeuw onafhankelijk daarvan werd voorgesteld (‘waar de wapens van onze handen zijn gekomen’ in plaats van ‘van onze mannen’). Op grond van de Latijnse stijl en taalconventies (de zogenoemde usus scribendi) kan echter geen van beide hier besproken conjecturen volledig overtuigen: in de Latijnse literatuur zijn immers maar weinig parallellen te vinden voor tela manuum en tela hominum.
§ 25 vidimus: Deze lezing komt in enkele latere handschriften voor. Ze lijkt inhoudelijk de voorkeur te verdienen en wordt aanvaard door Clark en Stok. GE hebben daarentegen de tegenwoordige tijd videmus (overgenomen door Kasten), die alleen aanvaardbaar is wanneer men die niet opvat als fysiek ‘wij zien’, maar als ‘wij stellen vast’ of ‘wij nemen waar’, aangezien Cicero naar een gebeurtenis in het verleden verwijst.
§ 25 sed ea: Deze variant, die Clark aanvaardt, komt voor in een palimpsest uit de vijfde eeuw dat vroege aantekeningen bij Cicero’s redevoeringen overlevert (de zogenoemde Scholia Bobiensia). Op grond van Cicero’s usus verdient zij duidelijk de voorkeur boven GE’s sub ea: Cicero gebruikt bij voorkeur de ablativus zonder voorzetsel in de constructie ea condicione. Sub condicione komt één keer voor bij Livius en wordt gebruikelijker in het Latijn van de keizertijd; uiteindelijk wordt het de norm in het laatjuridische Latijn.
§ 26 ac se nominari: De historicus Ammianus Marcellinus citeert deze passage in de vierde eeuw n.Chr. in zijn geheel in deze vorm in zijn Historiën (22.7). De handschriften lezen ac nominari; Kasten volgt hen, maar negeert de passage bij Ammianus en neemt die niet op in zijn lijst met testimonia (antieke verwijzingen).
§ 27 monumentorum: De meer archaïsche spelling monim-, bewaard in GE en overgenomen door Kasten, verdient in toekomstige kritische edities de voorkeur boven deze gestandaardiseerde spelling, die in recentere handschriften voorkomt. Archaïsche vormen gaan waarschijnlijker terug op antieke handschriften dan dat zij vernieuwingen zijn die door middeleeuwse kopiisten zijn ingevoerd.
§ 28 huius <urbis> atque imperi: De aanvulling die Clark en Stok overnemen, verdient de voorkeur boven de overlevering in de handschriften: daar ontbreekt het woord geheel (huius imperi), of staat aeque in plaats van E’s atque. Huius aeque imperi, de lezing die Kasten aanvaardt, zou ‘evenzezeer van dit rijk’ betekenen en is niet overtuigend, omdat het bijwoord aeque op een niet-idiomatische plaats tussen de twee genitieven staat.
§ 28 adornavi: Dit werkwoord, dat Clark en Stok verkiezen, is een conjectuur die niet ver afstaat van adoravi (dat in deze context nergens op slaat), de lezing in de Scholia Bobiensia. Zoals L. Costantini betoogt, is het zeer waarschijnlijk dat de oorspronkelijke handschriftlezing adortavi was, die in G voorkomt en door de kopiist van E werd veranderd in adhortatus sum, toen hij inzag dat het werkwoord hortor niet actief is. Noch Kastens conjectuur adoptavi, noch de opvatting van geleerden als Coşkun dat Cicero een actieve vorm horto, -as gebruikte (en daarom adhortavi afdrukken, een vorm die een hapax legomenon in het klassieke Latijn zou zijn), is overtuigend.
§ 31 iudiciis: GE hebben hier ingeniis, een lezing die Kasten en Coşkun overnemen. Waarschijnlijk gaat het echter om een verschrijving, veroorzaakt door het eerder in de passage voorkomende ingenio. Latere handschriften proberen dit te verbeteren met negotiis, een nog slechter alternatief. De conjectuur iudiciis uit de negentiende eeuw, die Clark en Stok aanvaarden, verdient de voorkeur.
§ 31 quique est <ex> eo: Ex is een aanvulling van Clark, die ook Stok aanvaardt, en vormt een verbetering van de variant quique est eo uit een minder gezaghebbend handschrift. De overige handschriften hebben isque est eo, wat grammaticaal niet houdbaar is. Clarks tekst lijkt op de conjectuur estque <ex> eo uit de negentiende eeuw, die Kasten en Coşkun overnemen, maar is beter: hoewel die laatste dichter bij de tekst van GE staat, verstoort hij de opeenvolging en climax van de qui, die verwijst naar de verdiensten van Archias.
§ 32 a foro aliena: Dit is een werkelijk locus desperatus. Kasten drukt hier, tussen twee cruces desperationis, de corrupte handschriftlezing firme a me af. Er zijn veel conjecturen voorgesteld. De wetenschappelijke consensus is om de negentiende-eeuwse verbetering a foro aliena te aanvaarden, die Clark en Stok verkiezen, al bestaat daarover geen zekerheid. Ook conjecturen als forensi aliena, fere a mea en ferme (‘gewoonlijk’) <aliena> a me<a> (Coşkun) verdienen bijvoorbeeld aandacht.
§ 32 de ipso: Deze variant, die Clark afdrukt, komt al in de vroege edities voor. Kasten, Coşkun en Stok verkiezen ipsius uit de handschriften, maar die lezing is inhoudelijk niet overtuigend. De correlatieve voegwoorden et … et markeren twee verschillende aspecten van het extra causam-gedeelte van de redevoering: het persoonlijke aspect (hominis), dat op Archias betrekking heeft, en het algemene aspect (communiter), dat betrekking heeft op ipsum studium, oftewel de vrije kunsten zelf. Als men ipsius kiest, wordt het persoonlijke aspect tweemaal herhaald en verliest communiter zijn zin.
§ 32 certo: Alleen G heeft deze spelling; alle andere handschriften hebben certe. Cicero’s usus pleit duidelijk voor Clarks en Coşkuns certo en tegen Kastens en Stoks certe: tegenover zeven vindplaatsen van certum + scire, in verschillende vervoegde vormen, en vier vindplaatsen van certe (waarvan twee in redevoeringen), staan maar liefst 57 gevallen van certo (waarvan dertien in redevoeringen). Wanneer we alleen kijken naar de eerste-persoonsconstructie met scio in de redevoeringen, is de uitkomst nog duidelijker: certo scio komt elf keer voor, terwijl certe scio helemaal niet voorkomt.
Ermanno Malaspina
Verder lezen:
- M. Tulli Ciceronis Orationes VI, Pro Archia, recognovit Albert C. Clark, ‘Scriptorum Classicorum Bibliotheca Oxoniensis, Oxonii 1911.
- M. Tulli Ciceronis Scripta quae manserunt omnia, Fasc. 19, Oratio Pro Archia Poeta, post P. Reis tertium recognovit Helmut Kasten, ‘Bibliotheca Scriptorum Graecorum et Romanorum Teubneriana’, Stutgardiae et Lipsiae 1963 3 .
- A. Coşkun, Cicero und das römische Bürgerrecht. Die Verteidigung des Dichters Archias, Einleitung, Text, Übersetzung und historisch-philologische Kommentierungen, Göttingen 2010.
- F. Stok, Lezioni di letteratura latina: la Pro Archia di Cicerone, Rome 2018, pp. 43–52.
Discussievragen:
- Wat zijn de drie fasen die betrokken zijn bij het samenstellen van een kritische editie?
- Heb je bij het kiezen tussen verschillende lezingen terugkerende logische, historische of grammaticale principes herkend? Kun je die toelichten?
- Leg de betekenis uit van hapax legomenon, scriptio continua, usus scribendi, conjectuur, interpolatie en locus desperatus.